BWBR0015199
Geldig vanaf 03-08-2003
Artikel 2
Verordening verzekering slachtdieren 2003
1. Het is verboden slachtdieren te slachten, tenzij daaraan door of vanwege een slachtrisicoverzekeraar is aangebracht of daarbij is gevoegd, dan wel met betrekking tot deze dieren is afgegeven een merk, teken of bewijsstuk ten bewijze, dat zij door hem tegen slachtrisico zijn verzekerd mede onder de voorwaarden als bedoeld in het tweede lid, dan wel dat zij hem ter verzekering zijn aangeboden, doch door hem niet verzekeringswaardig zijn bevonden en derhalve niet zijn verzekerd.
2. De voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, dienen onder meer in te houden de verplichting voor de slachtrisicoverzekeraar aan degene te wiens laste de schade, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, mocht komen, die geheel of grotendeels te vergoeden volgens de verzekeringsvoorwaarden en schadetarieven.
3. Het is verboden bij het slachten, bedoeld in het eerste lid, gebruik te maken van enig merk, teken of bewijsstuk, tenzij daarvan een model bij het productschap is gedeponeerd.
4. Ten aanzien van bewijsstukken, bedoeld in het eerste lid, moet door degenen te wier behoeve zij zijn afgegeven overeenkomstig derzelver inhoud en bestemming worden gehandeld.
5. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift geldende in het eerste lid gestelde verbodsbepalingen niet:
a. voor wat betreft het verkopen dan wel het afslachten van doodgeboren, gestorven of in nood gedode slachtdieren, indien en voorrover overeenkomstig artikel 3, of artikel 6, van het Vleeskeuringsbesluit kennisgeving is gedaan, dat het betrokken slachtdier doodgeboren, gestorven of in nood gedood is;
b. voor wat betreft het verkopen dan wel het slachten van slachtdieren, die niet doodgeboren, gestorven of in nood gedood zijn en waarvan het vlees bestemd is of gebezigd wordt uitsluitend voor het gezinsverbruik van de bewoners van het perceel, waar degene, die in het door hem bewoonde perceel of op zijn erf slacht of doet slachten, woonachtig is, mits deze bewoners niet werkzaam zijn in het slagersbedrijf, in het bedrijf der verduurzaming of bereiding van vlees of vleeswaren en mits zij niet wonen in een inrichting of gesticht, uitsluitend of onder meer bestemd voor het verstrekken van voedsel of waar zulks geregeld geschiedt;
c. indien en voorzover door de voorzitter ontheffing is verleend en tevens de daaraan eventueel verbonden voorwaarden zijn of worden in acht genomen.
2. De voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, dienen onder meer in te houden de verplichting voor de slachtrisicoverzekeraar aan degene te wiens laste de schade, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, mocht komen, die geheel of grotendeels te vergoeden volgens de verzekeringsvoorwaarden en schadetarieven.
3. Het is verboden bij het slachten, bedoeld in het eerste lid, gebruik te maken van enig merk, teken of bewijsstuk, tenzij daarvan een model bij het productschap is gedeponeerd.
4. Ten aanzien van bewijsstukken, bedoeld in het eerste lid, moet door degenen te wier behoeve zij zijn afgegeven overeenkomstig derzelver inhoud en bestemming worden gehandeld.
5. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift geldende in het eerste lid gestelde verbodsbepalingen niet:
a. voor wat betreft het verkopen dan wel het afslachten van doodgeboren, gestorven of in nood gedode slachtdieren, indien en voorrover overeenkomstig artikel 3, of artikel 6, van het Vleeskeuringsbesluit kennisgeving is gedaan, dat het betrokken slachtdier doodgeboren, gestorven of in nood gedood is;
b. voor wat betreft het verkopen dan wel het slachten van slachtdieren, die niet doodgeboren, gestorven of in nood gedood zijn en waarvan het vlees bestemd is of gebezigd wordt uitsluitend voor het gezinsverbruik van de bewoners van het perceel, waar degene, die in het door hem bewoonde perceel of op zijn erf slacht of doet slachten, woonachtig is, mits deze bewoners niet werkzaam zijn in het slagersbedrijf, in het bedrijf der verduurzaming of bereiding van vlees of vleeswaren en mits zij niet wonen in een inrichting of gesticht, uitsluitend of onder meer bestemd voor het verstrekken van voedsel of waar zulks geregeld geschiedt;
c. indien en voorzover door de voorzitter ontheffing is verleend en tevens de daaraan eventueel verbonden voorwaarden zijn of worden in acht genomen.
- Citeren als
- Art. 2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0015199
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl