BWBR0015937
Geldig vanaf 23-05-2004
Artikel 4
Verordening tot het opleggen van een heffing ter bevordering van de scholing en vorming van ondernemingsraadsleden 2004
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen doet zo spoedig mogelijk na het verstrijken van elke maand van het jaar 2004 aan de raad een opgave van het totaal van de in die maand verzonden heffingsaanslagen, alsmede van het totaal van de in die maand ontvangen heffingsbedragen. Tevens doet het opgave van de in die maand wegens oninbaarheid afgeboekte heffingsbedragen.
2. Tegelijk met de in het vorige lid bedoelde maandelijkse opgave draagt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het gesaldeerde bedrag aan de raad af.
3. Na het verstrijken van het jaar 2004 legt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de raad een door een accountant als bedoeld in artikel 2:393, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, gewaarmerkte rekening en verantwoording over. Deze gewaarmerkte rekening en verantwoording bevat ten minste een opgave van de ingevolge deze verordening in dat jaar verzonden heffingsnota's, de ontvangen heffingen, gesplitst naar dat jaar en de vorige jaren en de aan de raad afgedragen heffingsbedragen.
2. Tegelijk met de in het vorige lid bedoelde maandelijkse opgave draagt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het gesaldeerde bedrag aan de raad af.
3. Na het verstrijken van het jaar 2004 legt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de raad een door een accountant als bedoeld in artikel 2:393, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, gewaarmerkte rekening en verantwoording over. Deze gewaarmerkte rekening en verantwoording bevat ten minste een opgave van de ingevolge deze verordening in dat jaar verzonden heffingsnota's, de ontvangen heffingen, gesplitst naar dat jaar en de vorige jaren en de aan de raad afgedragen heffingsbedragen.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0015937
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl