BWBR0016435
Geldig vanaf 2004-03-01
Artikel 13
Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst – bijzondere informatie
1. De secretaris-generaal is belast met de algemene zorg voor de beveiliging van bijzondere informatie en oefent toezicht uit op de implementatie van het beleid ter zake.
2. Bij het vaststellen van het informatiebeveiligingsbeleid als bedoeld in artikel 3 Virdraagt de secretaris-generaal er zorg voor dat het beleidsdocument tevens omvat:
a. de uitwerking van de uitgangspunten voor het rubriceren binnen het ministerie;
b. de wijze waarop de secretaris-generaal vooraf toestemming verleent voor het verwerken van staatsgeheimen in informatiesystemen;
c. de wijze waarop het informatiebeveiligingsbeleid voor wat betreft bijzondere informatie iedere twee jaar wordt geëvalueerd door een onafhankelijke deskundige;
d. de wijze waarop personeelsleden, die werkzaamheden verrichten waarbij kennis wordt genomen van bijzondere informatie, op de hoogte worden gebracht van de voor hen geldende beveiligingsrichtlijnen;
e. de wijze waarop de lijnmanager rapporteert over de beveiliging van bijzondere informatie die valt onder zijn verantwoordelijkheid;
f. de uitgangspunten voor de noodvernietiging van bijzondere informatie.
3. De onderdelen van het beveiligingsbeleid die betrekking hebben op de beveiliging van staatsgeheimen worden door de secretaris-generaal vastgesteld in overleg met het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Bij het Ministerie van Defensie vindt het overleg plaats met de Beveiligingsautoriteit.
2. Bij het vaststellen van het informatiebeveiligingsbeleid als bedoeld in artikel 3 Virdraagt de secretaris-generaal er zorg voor dat het beleidsdocument tevens omvat:
a. de uitwerking van de uitgangspunten voor het rubriceren binnen het ministerie;
b. de wijze waarop de secretaris-generaal vooraf toestemming verleent voor het verwerken van staatsgeheimen in informatiesystemen;
c. de wijze waarop het informatiebeveiligingsbeleid voor wat betreft bijzondere informatie iedere twee jaar wordt geëvalueerd door een onafhankelijke deskundige;
d. de wijze waarop personeelsleden, die werkzaamheden verrichten waarbij kennis wordt genomen van bijzondere informatie, op de hoogte worden gebracht van de voor hen geldende beveiligingsrichtlijnen;
e. de wijze waarop de lijnmanager rapporteert over de beveiliging van bijzondere informatie die valt onder zijn verantwoordelijkheid;
f. de uitgangspunten voor de noodvernietiging van bijzondere informatie.
3. De onderdelen van het beveiligingsbeleid die betrekking hebben op de beveiliging van staatsgeheimen worden door de secretaris-generaal vastgesteld in overleg met het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Bij het Ministerie van Defensie vindt het overleg plaats met de Beveiligingsautoriteit.