BWBR0017837
Geldig vanaf 2005-01-01
Artikel 6
Wet werk en inkomen kunstenaars
1. Indien inkomen in natura in aanmerking wordt genomen wordt de waarde daarvan vastgesteld op het daarvoor door de kunstenaar of zijn gezin opgeofferde bedrag.
2. Het inkomen uit studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor levensonderhoud waarnaar deze is berekend, met dien verstande dat het normbedrag voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 3.2 van die wet, wordt gesteld op:
a. voor een thuisinwonende studerende: € 271,06 per 1 januari 2010: € 310,23 per kalendermaand;
b. voor een uitwonende studerende: € 486,94 per 1 januari 2010: € 557,27 per kalendermaand.
3. De tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkostenwordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor de basistoelage, bedoeld in artikel 4.3 van die wet.
2. Het inkomen uit studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor levensonderhoud waarnaar deze is berekend, met dien verstande dat het normbedrag voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 3.2 van die wet, wordt gesteld op:
a. voor een thuisinwonende studerende: € 271,06 per 1 januari 2010: € 310,23 per kalendermaand;
b. voor een uitwonende studerende: € 486,94 per 1 januari 2010: € 557,27 per kalendermaand.
3. De tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkostenwordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor de basistoelage, bedoeld in artikel 4.3 van die wet.