BWBR0018009
Geldig vanaf 2005-02-17
Artikel 5.1
Vaststellingsbesluit Programma Transportbesparing (6e aanvraagperiode)
Met betrekking tot de beoordeling van haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten adviseert de Commissie Transportbesparing (hierna: de Commissie) de Minister over de aanvragen terzake van de projecten die niet op een van de onder art. 5bedoelde gronden zijn afgewezen. De Commissie bestaat, naast de voorzitter, uit twee tot zes personen. De samenstelling is bekendgemaakt in de Staatscourant (Stcrt. 2000, 108 en Stcrt. 2001, 51). De herbenoeming van de leden is bekendgemaakt in de Staatscourant (Stcrt. 2004, 17). De voorzitter en de leden zijn voor een termijn van vier jaar benoemd. Ze zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
Een lid van de Commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van het advies indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag. De Commissie stelt haar eigen werkwijze vast. De Minister kan waarnemers aanwijzen die het recht hebben de vergaderingen van de Commissie bij te wonen, en voorziet in het secretariaat van de Commissie.
In afwijking van artikel 8, tweede lid van de SMEGworden deze aanvragen niet behandeld in volgorde van binnenkomst, maar op basis van een tendersysteem. De Commissie adviseert in elk geval tot afwijzing:
– in het geval niet wordt voldaan aan de artikelen 1 en 3 van de SMEG;
– in het geval dat de voorgestelde innovatie niet nieuw is voor Nederland of geen betrekking heeft op een voor Nederland nieuwe toepassing van de voorgestelde innovatie. Onder innovatie wordt verstaan een vernieuwing van het voorgestelde fysieke product of productieproces.
De Commissie rangschikt de aanvragen die niet door de Minister zijn afgewezen, dan wel waarvoor door de Commissie geen advies tot afwijzing is gegeven, zodanig dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het project meer bijdraagt aan de volgende criteria:
a. Effect van het project op het milieu. Het betreft de mate waarin een vermindering optreedt van de uitstoot van CO2 en NOx door reductie van ritkilometers als gevolg van het project en de wijze waarop dit aannemelijk wordt gemaakt (rekenmethode). En de mate waarin positieve dan wel negatieve neveneffecten (voor veiligheid en gebruik van materialen, energie, water, geluid en het ontstaan van afval) optreden ten gevolge van het project.
b. De innovativiteit van het project. De mate van vernieuwing van de voorgestelde product- of procesinnovatie.
c. Slaagkans van het project. Toetsing vindt plaats op de volgende onderdelen: – Technisch risico. Indien er sprake is van een (proef)project met een zeker technisch gehalte in de maatregelen gaat het om de mate waarin de technische risico’s in de ogen van de Commissie door de voorgestelde projectaanpak en het voorgestelde projectteam kunnen worden weggenomen.
– Organisatorische risico’s. Hierbij gaat het om de mate waarin de relevante partijen uit de keten die noodzakelijk zijn om het project en de implementatie van de voorgestelde maatregel tot een succes te maken, bij het project betrokken zijn.
– Financiële risico’s. Hierbij gaat het om de vraag welke kostenbesparing mag worden verwacht naar aanleiding van het project, welke (investerings)kosten daar tegenover staan en op welke termijn de (investerings)kosten worden terugverdiend.
– Technisch risico. Indien er sprake is van een (proef)project met een zeker technisch gehalte in de maatregelen gaat het om de mate waarin de technische risico’s in de ogen van de Commissie door de voorgestelde projectaanpak en het voorgestelde projectteam kunnen worden weggenomen.
– Organisatorische risico’s. Hierbij gaat het om de mate waarin de relevante partijen uit de keten die noodzakelijk zijn om het project en de implementatie van de voorgestelde maatregel tot een succes te maken, bij het project betrokken zijn.
– Financiële risico’s. Hierbij gaat het om de vraag welke kostenbesparing mag worden verwacht naar aanleiding van het project, welke (investerings)kosten daar tegenover staan en op welke termijn de (investerings)kosten worden terugverdiend.
d. De mate waarin de projectresultaten worden toegepast, zowel binnen de onderneming(en) van de bij het project betrokken projectpartner(s) als elders in de markt. Het gaat hier om de vragen in hoeverre de projectresultaten in ogenschouw worden genomen bij toekomstige investeringsbeslissingen, hoeveel andere bedrijven in de branche de voorgestelde maatregel kunnen implementeren, in hoeveel branches de maatregel kan worden doorgevoerd en wat de totale potentiële transportbesparing (ritkilometers per jaar) is.
De aanvrager verklaart bekend te zijn met de inhoud van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en verklaart zich te zullen inspannen deze naar vermogen in zijn onderneming toe te passen 1 Deze richtlijnen zijn te vinden op www.oesorichtlijnen.nl..
Bij het opstellen van de rangschikking wegen alle genoemde criteria even zwaar.
De Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de door de Commissie voorgestelde rangschikking. De Minister kan afwijken van het advies van de Commissie als hij van mening is dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel in strijd is met de SMEGof dit programma. De Minister zal in de regel dan ook subsidie verlenen, beginnend bij de hoogst gerangschikte aanvraag tot dat het subsidieplafond is bereikt.
Een lid van de Commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van het advies indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag. De Commissie stelt haar eigen werkwijze vast. De Minister kan waarnemers aanwijzen die het recht hebben de vergaderingen van de Commissie bij te wonen, en voorziet in het secretariaat van de Commissie.
In afwijking van artikel 8, tweede lid van de SMEGworden deze aanvragen niet behandeld in volgorde van binnenkomst, maar op basis van een tendersysteem. De Commissie adviseert in elk geval tot afwijzing:
– in het geval niet wordt voldaan aan de artikelen 1 en 3 van de SMEG;
– in het geval dat de voorgestelde innovatie niet nieuw is voor Nederland of geen betrekking heeft op een voor Nederland nieuwe toepassing van de voorgestelde innovatie. Onder innovatie wordt verstaan een vernieuwing van het voorgestelde fysieke product of productieproces.
De Commissie rangschikt de aanvragen die niet door de Minister zijn afgewezen, dan wel waarvoor door de Commissie geen advies tot afwijzing is gegeven, zodanig dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het project meer bijdraagt aan de volgende criteria:
a. Effect van het project op het milieu. Het betreft de mate waarin een vermindering optreedt van de uitstoot van CO2 en NOx door reductie van ritkilometers als gevolg van het project en de wijze waarop dit aannemelijk wordt gemaakt (rekenmethode). En de mate waarin positieve dan wel negatieve neveneffecten (voor veiligheid en gebruik van materialen, energie, water, geluid en het ontstaan van afval) optreden ten gevolge van het project.
b. De innovativiteit van het project. De mate van vernieuwing van de voorgestelde product- of procesinnovatie.
c. Slaagkans van het project. Toetsing vindt plaats op de volgende onderdelen: – Technisch risico. Indien er sprake is van een (proef)project met een zeker technisch gehalte in de maatregelen gaat het om de mate waarin de technische risico’s in de ogen van de Commissie door de voorgestelde projectaanpak en het voorgestelde projectteam kunnen worden weggenomen.
– Organisatorische risico’s. Hierbij gaat het om de mate waarin de relevante partijen uit de keten die noodzakelijk zijn om het project en de implementatie van de voorgestelde maatregel tot een succes te maken, bij het project betrokken zijn.
– Financiële risico’s. Hierbij gaat het om de vraag welke kostenbesparing mag worden verwacht naar aanleiding van het project, welke (investerings)kosten daar tegenover staan en op welke termijn de (investerings)kosten worden terugverdiend.
– Technisch risico. Indien er sprake is van een (proef)project met een zeker technisch gehalte in de maatregelen gaat het om de mate waarin de technische risico’s in de ogen van de Commissie door de voorgestelde projectaanpak en het voorgestelde projectteam kunnen worden weggenomen.
– Organisatorische risico’s. Hierbij gaat het om de mate waarin de relevante partijen uit de keten die noodzakelijk zijn om het project en de implementatie van de voorgestelde maatregel tot een succes te maken, bij het project betrokken zijn.
– Financiële risico’s. Hierbij gaat het om de vraag welke kostenbesparing mag worden verwacht naar aanleiding van het project, welke (investerings)kosten daar tegenover staan en op welke termijn de (investerings)kosten worden terugverdiend.
d. De mate waarin de projectresultaten worden toegepast, zowel binnen de onderneming(en) van de bij het project betrokken projectpartner(s) als elders in de markt. Het gaat hier om de vragen in hoeverre de projectresultaten in ogenschouw worden genomen bij toekomstige investeringsbeslissingen, hoeveel andere bedrijven in de branche de voorgestelde maatregel kunnen implementeren, in hoeveel branches de maatregel kan worden doorgevoerd en wat de totale potentiële transportbesparing (ritkilometers per jaar) is.
De aanvrager verklaart bekend te zijn met de inhoud van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en verklaart zich te zullen inspannen deze naar vermogen in zijn onderneming toe te passen 1 Deze richtlijnen zijn te vinden op www.oesorichtlijnen.nl..
Bij het opstellen van de rangschikking wegen alle genoemde criteria even zwaar.
De Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de door de Commissie voorgestelde rangschikking. De Minister kan afwijken van het advies van de Commissie als hij van mening is dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel in strijd is met de SMEGof dit programma. De Minister zal in de regel dan ook subsidie verlenen, beginnend bij de hoogst gerangschikte aanvraag tot dat het subsidieplafond is bereikt.