BWBR0019058
Geldig vanaf 2005-12-09
Artikel 2.6
Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond waarvan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, aan de persoon die een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigenof de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicaptendan wel een werkhervattingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenvan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ontvangt of recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, op aanvraag in plaats van bij die regeling vast te stellen re-integratie-instrumenten als bedoeld hoofdstuk IIB van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, hoofdstuk 3A van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, afdeling 5 van hoofdstuk 2of afdeling 5 van hoofdstuk 3 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicaptenen paragraaf 4.2 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, een subsidie verstrekt in de vorm van een op de arbeidsinschakeling gericht persoonsgebonden re-integratiebudget. In deze regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en de omvang van de activiteiten en de aan de subsidie te verbinden verplichtingen.
2. Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid treedt niet eerder in werking dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
3. Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid, aan beide kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.
2. Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid treedt niet eerder in werking dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
3. Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid, aan beide kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.