BWBR0020445
Geldig vanaf 2007-01-01
Artikel 4.18
Besluit geluidhinder
1. Behoudens het derde lid stellen burgemeester en wethouders met inachtneming van de artikelen 4.20 tot en met 4.23een programma van maatregelen op, die naar hun oordeel in aanmerking komen om de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg, van de gevel van de voor 1 januari 2007 aan Onze Minister gemelde woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen, zoveel mogelijk te beperken tot 55 dB en om zo nodig te voldoen aan artikel 4.25.
2. In een geval als bedoeld in artikel 4.7wordt vanwege de spoorwegexploitant een akoestisch onderzoek ingesteld van de in artikel 4.3omschreven strekking.
3. In een geval als bedoeld in artikel 4.7stelt de spoorwegexploitant een saneringsprogramma op, met dien verstande dat dit saneringsprogramma tevens de resultaten van het in het tweede lid bedoelde akoestisch onderzoek bevat en mede betrekking heeft op andere binnen de zone van de spoorweg, bedoeld in artikel 1.4, gelegen woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen ten aanzien waarvan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechteen omgevingsvergunning is verleend waarbij voor de duur van ten hoogste tien jaar is afgeweken van het bestemmingsplan.
2. In een geval als bedoeld in artikel 4.7wordt vanwege de spoorwegexploitant een akoestisch onderzoek ingesteld van de in artikel 4.3omschreven strekking.
3. In een geval als bedoeld in artikel 4.7stelt de spoorwegexploitant een saneringsprogramma op, met dien verstande dat dit saneringsprogramma tevens de resultaten van het in het tweede lid bedoelde akoestisch onderzoek bevat en mede betrekking heeft op andere binnen de zone van de spoorweg, bedoeld in artikel 1.4, gelegen woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen ten aanzien waarvan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechteen omgevingsvergunning is verleend waarbij voor de duur van ten hoogste tien jaar is afgeweken van het bestemmingsplan.