BWBR0022989
Geldig vanaf 01-01-2008
Artikel 5
Heffingsverordening 2008
1. De inkoop is onderhevig aan een heffing als bedoeld in artikel 2.
2. De heffing als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor het inkoopbedrag in een kalenderjaar:
a. tot en met € 11.000.000,–; 1,01 promille;
b. van meer dan € 11.000.000,–; 1,01 promille over het inkoopbedrag tot en met € 11.000.000,– en 0,75 promille over het inkoopbedrag boven de € 11.000.000,–.
3. Bij de bepaling van het inkoopbedrag, als bedoeld in het vorige lid, wordt het deel van de inkoop, dat fysiek niet in Nederland komt, buiten beschouwing gelaten.
4. De heffing als bedoeld in het eerste lid is verschuldigd door een ondernemer die:
a. de handel uitoefent in vis of uit vis verkregen producten, met uitzondering van pootvis, kokkels, spisula, zwaardscheden en mesheften, nonnetjes en oesters, welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijk voedsel kunnen dienen;
b. vis of uit vis verkregen producten be- of verwerkt, met uitzondering van pootvis, kokkels, spisula, zwaardscheden en mesheften, nonnetjes en oesters, welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijk of dierlijk voedsel kunnen dienen.
5. De heffing als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ondernemer die mosselen inkoopt:
€ 0,10 per door hem ingekochte ton mosselen.
6. Bij de bepaling van de inkoop, als bedoeld in het eerste lid, wordt de aankoop, als bedoeld in artikel 4, indien het dezelfde partij betreft, buiten beschouwing gelaten.
7. Vis en visproducten zijn eenmalig onderhevig aan een heffing als bedoeld in het eerste lid. Op het inkoopbedrag, als bedoeld in het tweede en vijfde lid van dit artikel, dient derhalve het inkoopbedrag waarover reeds een heffing als bedoeld in het eerste lid van dit artikel is opgelegd, in mindering te worden gebracht.
8. De ondernemer, die meent dat het zesde of zevende lid van dit artikel van toepassing is en hier een beroep op doet, levert hiervan zelf schriftelijk het bewijs.
9. De heffing als bedoeld in het eerste lid kan, al dan niet na toepassing van het vorige lid, in enig kalenderjaar niet meer dan € 43.200,– bedragen.
10. Indien voor een ondernemer het maximumbedrag, als bedoeld in het negende lid, is toegepast, zijn alle overige ondernemers die behoren tot dezelfde fiscale eenheid geen heffing als bedoeld in het eerste lid verschuldigd.
2. De heffing als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor het inkoopbedrag in een kalenderjaar:
a. tot en met € 11.000.000,–; 1,01 promille;
b. van meer dan € 11.000.000,–; 1,01 promille over het inkoopbedrag tot en met € 11.000.000,– en 0,75 promille over het inkoopbedrag boven de € 11.000.000,–.
3. Bij de bepaling van het inkoopbedrag, als bedoeld in het vorige lid, wordt het deel van de inkoop, dat fysiek niet in Nederland komt, buiten beschouwing gelaten.
4. De heffing als bedoeld in het eerste lid is verschuldigd door een ondernemer die:
a. de handel uitoefent in vis of uit vis verkregen producten, met uitzondering van pootvis, kokkels, spisula, zwaardscheden en mesheften, nonnetjes en oesters, welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijk voedsel kunnen dienen;
b. vis of uit vis verkregen producten be- of verwerkt, met uitzondering van pootvis, kokkels, spisula, zwaardscheden en mesheften, nonnetjes en oesters, welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijk of dierlijk voedsel kunnen dienen.
5. De heffing als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ondernemer die mosselen inkoopt:
€ 0,10 per door hem ingekochte ton mosselen.
6. Bij de bepaling van de inkoop, als bedoeld in het eerste lid, wordt de aankoop, als bedoeld in artikel 4, indien het dezelfde partij betreft, buiten beschouwing gelaten.
7. Vis en visproducten zijn eenmalig onderhevig aan een heffing als bedoeld in het eerste lid. Op het inkoopbedrag, als bedoeld in het tweede en vijfde lid van dit artikel, dient derhalve het inkoopbedrag waarover reeds een heffing als bedoeld in het eerste lid van dit artikel is opgelegd, in mindering te worden gebracht.
8. De ondernemer, die meent dat het zesde of zevende lid van dit artikel van toepassing is en hier een beroep op doet, levert hiervan zelf schriftelijk het bewijs.
9. De heffing als bedoeld in het eerste lid kan, al dan niet na toepassing van het vorige lid, in enig kalenderjaar niet meer dan € 43.200,– bedragen.
10. Indien voor een ondernemer het maximumbedrag, als bedoeld in het negende lid, is toegepast, zijn alle overige ondernemers die behoren tot dezelfde fiscale eenheid geen heffing als bedoeld in het eerste lid verschuldigd.
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0022989
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl