BWBR0023465
Geldig vanaf 08-02-2009
Artikel 2
Verordening varkensleveringen (PVV) 2007
1. De voorzitter wijst op aanvraag van de ondernemer diens varkenshouderijbedrijf aan als een A-bedrijf, indien de ondernemer bij de aanvraag een conform bijlage III opgemaakt bedrijfsrapport van een geaccrediteerde keuringsinstantie waaruit blijkt dat het varkenshouderijbedrijf voldoet aan de in de onderdelen a. tot en met i. gestelde voorwaarden, alsmede een verklaring als bedoeld in het derde lid kan overleggen.
a. Op het varkenshouderijbedrijf worden vrouwelijke varkens gehouden voor het bedrijfsmatig produceren van biggen;
b. Varkens die op het varkenshouderijbedrijf worden aangevoerd, worden gehuisvest in een van de rest van het varkenshouderijbedrijf afgescheiden toevoegstal, waarvan inrichting en gebruik voldoen aan de in bijlage l bij deze verordening opgenomen voorschriften, totdat uit een door een dierenarts na vier weken na aanvoer overeenkomstig bijlage II uitgevoerd serologisch onderzoek blijkt dat in de toevoegstal geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest of gB-antilichamen tegen de Ziekte van Aujeszky bevat;
c. Bij het ontbreken van een toevoegstal als bedoeld in onderdeel b., tot zes weken na de laatste aanvoer van varkens worden geen varkens afgevoerd anders dan, hetzij rechtstreeks, hetzij via een verzamelcentrum, naar het slachthuis;
d. Op het varkenshouderijbedrijf is een voorziening voor reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen voor varkens aanwezig;
e. De ondernemer van het varkenshouderijbedrijf verleent alle medewerking aan de reiniging en ontsmetting van het vervoermiddel waarmee de varkens zijn vervoerd;
f. De ondernemer voldoet aan alle, de herkomst van de op het varkenshouderijbedrijf aanwezige varkens betreffende, krachtens artikel 96 van de wet gestelde regels;
g. Op het varkenshouderijbedrijf is een douche aanwezig, die is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de ingang van het varkenshouderijbedrijf, waarvan bezoekers van het varkenshouderijbedrijf voorafgaand aan het betreden van de stallen gebruik maken;
h. Het varkenshouderijbedrijf is voorzien van een erfafscheiding waardoor het betreden van het varkenshouderijbedrijf zonder de medewerking van de ondernemer niet mogelijk is;
i. De ondernemer legt de gegevens met betrekking tot groepsmedicatie in het logboek, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Diergeneesmiddelenwet vast.
2. De ondernemer laat één maal per jaar een bedrijfsrapport conform bijlage III opmaken door een geaccrediteerde keuringsinstantie, en overlegt deze ter verificatie van de aanwijzing, jaarlijks voor 1 juni, aan de voorzitter.
3. De ondernemer overlegt eenmaal per maand een verklaring van een dierenarts waarin deze verklaart dat het in bijlage II bepaalde aantal op het varkenshouderijbedrijf aanwezige varkens serologisch is onderzocht en dat geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest of gE-antilichamen tegen de Ziekte van Aujeszky bevat, dan wel, in geval van leegstand, een verklaring van een geaccrediteerde keuringsinstantie dat de stallen van het varkenshouderijbedrijf ten tijde van de aanvraag leegstaan.
a. Op het varkenshouderijbedrijf worden vrouwelijke varkens gehouden voor het bedrijfsmatig produceren van biggen;
b. Varkens die op het varkenshouderijbedrijf worden aangevoerd, worden gehuisvest in een van de rest van het varkenshouderijbedrijf afgescheiden toevoegstal, waarvan inrichting en gebruik voldoen aan de in bijlage l bij deze verordening opgenomen voorschriften, totdat uit een door een dierenarts na vier weken na aanvoer overeenkomstig bijlage II uitgevoerd serologisch onderzoek blijkt dat in de toevoegstal geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest of gB-antilichamen tegen de Ziekte van Aujeszky bevat;
c. Bij het ontbreken van een toevoegstal als bedoeld in onderdeel b., tot zes weken na de laatste aanvoer van varkens worden geen varkens afgevoerd anders dan, hetzij rechtstreeks, hetzij via een verzamelcentrum, naar het slachthuis;
d. Op het varkenshouderijbedrijf is een voorziening voor reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen voor varkens aanwezig;
e. De ondernemer van het varkenshouderijbedrijf verleent alle medewerking aan de reiniging en ontsmetting van het vervoermiddel waarmee de varkens zijn vervoerd;
f. De ondernemer voldoet aan alle, de herkomst van de op het varkenshouderijbedrijf aanwezige varkens betreffende, krachtens artikel 96 van de wet gestelde regels;
g. Op het varkenshouderijbedrijf is een douche aanwezig, die is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de ingang van het varkenshouderijbedrijf, waarvan bezoekers van het varkenshouderijbedrijf voorafgaand aan het betreden van de stallen gebruik maken;
h. Het varkenshouderijbedrijf is voorzien van een erfafscheiding waardoor het betreden van het varkenshouderijbedrijf zonder de medewerking van de ondernemer niet mogelijk is;
i. De ondernemer legt de gegevens met betrekking tot groepsmedicatie in het logboek, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Diergeneesmiddelenwet vast.
2. De ondernemer laat één maal per jaar een bedrijfsrapport conform bijlage III opmaken door een geaccrediteerde keuringsinstantie, en overlegt deze ter verificatie van de aanwijzing, jaarlijks voor 1 juni, aan de voorzitter.
3. De ondernemer overlegt eenmaal per maand een verklaring van een dierenarts waarin deze verklaart dat het in bijlage II bepaalde aantal op het varkenshouderijbedrijf aanwezige varkens serologisch is onderzocht en dat geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest of gE-antilichamen tegen de Ziekte van Aujeszky bevat, dan wel, in geval van leegstand, een verklaring van een geaccrediteerde keuringsinstantie dat de stallen van het varkenshouderijbedrijf ten tijde van de aanvraag leegstaan.
- Citeren als
- Art. 2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0023465
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl