BWBR0024013
Geldig vanaf 08-06-2008
Artikel 4
Verordening PA bestrijding vergelingsziekte bij bieten 2008
1. Het is de ondernemer verboden in een gebied omschreven in het derde lid, onder a en b, na 15 april van elk jaar en in een gebied omschreven in het derde lid, onder c, d, en e, na 1 april van elk jaar suikerbieten, voederbieten en afval van suikerbieten en voederbieten, welke voor genoemde datum zijn geoogst, voorhanden of in voorraad te hebben, voor zover daaraan bladvorming voorkomt.
Dit verbod geldt niet met betrekking tot suikerbieten en voederbieten, welke kennelijk bestemd zijn voor zaadwinning.
2. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een op grond van het derde lid onder f, bij besluit aangewezen gebied, met dien verstande, dat het voorhanden of in voorraad hebben als in het eerste lid bedoeld, in dit gebied is verboden na een bij dat besluit vastgestelde datum van elk jaar.
3. De in de voorgaande leden bedoelde gebieden zijn:
a. De provincie Groningen;
b. De provincie Friesland;
c. het gedeelte van de provincie Noord-Holland, gevormd door de gemeenten Haarlemmermeer en Wieringermeer;
d. het gedeelte van de provincie Zuid-Holland, gevormd door de eilanden Rozenburg, Voorne, Putten, IJsselmonde, Hoekschewaard, Eiland van Dordrecht, Tiengemeten en Goeree-Overflakkee;
e. De provincies Flevoland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg;
f. ieder ander door de voorzitter, namens het bestuur, gehoord de commissie, bij besluit aangewezen gebied.
4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid of krachtens het tweede lid kan de voorzitter, namens het bestuur, gehoord de commissie, bij besluit bepalen, dat in één of meer daarbij aan te wijzen gebieden het voorhanden of in voorraad hebben van suikerbieten, voederbieten en afval van suikerbieten en voederbieten is toegestaan tot een daarbij aan te geven datum, liggende na de voor die gebieden op grond van het eerste lid dan wel krachtens het tweede lid geldende datum.
Dit verbod geldt niet met betrekking tot suikerbieten en voederbieten, welke kennelijk bestemd zijn voor zaadwinning.
2. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een op grond van het derde lid onder f, bij besluit aangewezen gebied, met dien verstande, dat het voorhanden of in voorraad hebben als in het eerste lid bedoeld, in dit gebied is verboden na een bij dat besluit vastgestelde datum van elk jaar.
3. De in de voorgaande leden bedoelde gebieden zijn:
a. De provincie Groningen;
b. De provincie Friesland;
c. het gedeelte van de provincie Noord-Holland, gevormd door de gemeenten Haarlemmermeer en Wieringermeer;
d. het gedeelte van de provincie Zuid-Holland, gevormd door de eilanden Rozenburg, Voorne, Putten, IJsselmonde, Hoekschewaard, Eiland van Dordrecht, Tiengemeten en Goeree-Overflakkee;
e. De provincies Flevoland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg;
f. ieder ander door de voorzitter, namens het bestuur, gehoord de commissie, bij besluit aangewezen gebied.
4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid of krachtens het tweede lid kan de voorzitter, namens het bestuur, gehoord de commissie, bij besluit bepalen, dat in één of meer daarbij aan te wijzen gebieden het voorhanden of in voorraad hebben van suikerbieten, voederbieten en afval van suikerbieten en voederbieten is toegestaan tot een daarbij aan te geven datum, liggende na de voor die gebieden op grond van het eerste lid dan wel krachtens het tweede lid geldende datum.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0024013
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl