BWBR0024902
Geldig vanaf 24-06-2014
Artikel 20
Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen
1. De Bank, en indien toepassing is gegeven aan de artikelen 3, tweede lid, en 12, derde lid, de Bank-gelieerde, en de MKB-ondernemer voldoen aan hetgeen door de minister aangewezen bij zijn ministerie werkzame personen wordt verzocht, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het Kaderbesluit EZ-subsidies, hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst, en met het oog op de nakoming door de Staat van op de Staat rustende internationaalrechtelijke verplichtingen, en voor zover het betrekking heeft op de uit het besluit of deze overeenkomst voortvloeiende zelfstandige verplichtingen van de Bank of de Bank-gelieerde de MKB-ondernemer aan wie het bedrijfsborgstellingskrediet is verstrekt of de met deze MKB-ondernemer gesloten kredietovereenkomsten, omtrent: a. het toegang verlenen tot door hen gebruikte plaatsen;
b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden;
c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden;
d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en
e. het verstrekken van inlichtingen.
a. het toegang verlenen tot door hen gebruikte plaatsen;
b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden;
c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden;
d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en
e. het verstrekken van inlichtingen.
2. Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de Bank, of indien toepassing is gegeven aan de artikelen 3, tweede lid, en 12, derde lid, aan de Bank-gelieerde, of aan de MKB-ondernemer, gevraagd worden de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar interne accountant te doen verstrekken.
3. Van de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, zal alleen gebruik worden gemaakt indien een ernstig vermoeden bestaat dat de Bank, de Bank-gelieerde of de MKB-ondernemer onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt.
4. De Bank stelt de minister binnen 35 dagen na kennisname op de hoogte van de volgende feiten en verstrekt daarbij de door de minister vastgestelde informatie: a. vervroegde volledige aflossing van het bedrijfsborgstellingskrediet;
b. het door de afdeling ....... van de Bank in beheer nemen van het bedrijfsborgstellingskrediet;
c. de verlening van surseance van betaling aan of de faillietverklaring van de MKB-ondernemer;
d. opeising van het bedrijfsborgstellingskrediet.
a. vervroegde volledige aflossing van het bedrijfsborgstellingskrediet;
b. het door de afdeling ....... van de Bank in beheer nemen van het bedrijfsborgstellingskrediet;
c. de verlening van surseance van betaling aan of de faillietverklaring van de MKB-ondernemer;
d. opeising van het bedrijfsborgstellingskrediet.
5. De Bank meldt de Staat de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surseance van betaling aan de Bank, dan wel een verzoek tot faillietverklaring van de Bank.
b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden;
c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden;
d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en
e. het verstrekken van inlichtingen.
a. het toegang verlenen tot door hen gebruikte plaatsen;
b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden;
c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden;
d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en
e. het verstrekken van inlichtingen.
2. Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de Bank, of indien toepassing is gegeven aan de artikelen 3, tweede lid, en 12, derde lid, aan de Bank-gelieerde, of aan de MKB-ondernemer, gevraagd worden de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar interne accountant te doen verstrekken.
3. Van de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, zal alleen gebruik worden gemaakt indien een ernstig vermoeden bestaat dat de Bank, de Bank-gelieerde of de MKB-ondernemer onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt.
4. De Bank stelt de minister binnen 35 dagen na kennisname op de hoogte van de volgende feiten en verstrekt daarbij de door de minister vastgestelde informatie: a. vervroegde volledige aflossing van het bedrijfsborgstellingskrediet;
b. het door de afdeling ....... van de Bank in beheer nemen van het bedrijfsborgstellingskrediet;
c. de verlening van surseance van betaling aan of de faillietverklaring van de MKB-ondernemer;
d. opeising van het bedrijfsborgstellingskrediet.
a. vervroegde volledige aflossing van het bedrijfsborgstellingskrediet;
b. het door de afdeling ....... van de Bank in beheer nemen van het bedrijfsborgstellingskrediet;
c. de verlening van surseance van betaling aan of de faillietverklaring van de MKB-ondernemer;
d. opeising van het bedrijfsborgstellingskrediet.
5. De Bank meldt de Staat de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surseance van betaling aan de Bank, dan wel een verzoek tot faillietverklaring van de Bank.
- Citeren als
- Art. 20
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0024902
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl