BWBR0024928
Geldig vanaf 2008-12-24
Artikel XVIII
Wijzigingswet Wet luchtvaart (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens)
1. Een aanwijzing van een luchtvaartterrein, vastgesteld door Onze Minister van Defensie in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op grond van Hoofdstuk IV, afdeling I, van de Luchtvaartwet, behoudt haar geldigheid totdat zij is vervangen door een luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 10.15 van de Wet luchtvaartdoch niet langer dan tot 1 januari 2030.
2. Een besluit tot vaststelling van een geluidszone, door Onze Minister van Defensie genomen op grond van artikel VII van de Wet van 7 juni 1978, houdende wijziging van de Luchtvaartwet met betrekking tot de aanwijzing van luchtvaartterreinen (Stb. 1978, 354), behoudt haar geldigheid totdat de geldigheid van de aanwijzing van het luchtvaartterrein waarop zij betrekking heeft, is geëindigd.
3. Het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk IV van de Luchtvaartwetblijft op een militair luchtvaartterrein van toepassing totdat de geldigheid van de voor dat luchtvaartterrein vastgestelde aanwijzing is geëindigd.
4. Onze Minister van Defensie brengt jaarlijks verslag uit aan de Staten-Generaal over de voortgang van de vaststelling van luchthavenbesluiten voor die luchtvaartterreinen waarvoor ingevolge het eerste lid een aanwijzing op grond van Hoofdstuk IV, afdeling I, van de Luchtvaartwetgeldt.
2. Een besluit tot vaststelling van een geluidszone, door Onze Minister van Defensie genomen op grond van artikel VII van de Wet van 7 juni 1978, houdende wijziging van de Luchtvaartwet met betrekking tot de aanwijzing van luchtvaartterreinen (Stb. 1978, 354), behoudt haar geldigheid totdat de geldigheid van de aanwijzing van het luchtvaartterrein waarop zij betrekking heeft, is geëindigd.
3. Het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk IV van de Luchtvaartwetblijft op een militair luchtvaartterrein van toepassing totdat de geldigheid van de voor dat luchtvaartterrein vastgestelde aanwijzing is geëindigd.
4. Onze Minister van Defensie brengt jaarlijks verslag uit aan de Staten-Generaal over de voortgang van de vaststelling van luchthavenbesluiten voor die luchtvaartterreinen waarvoor ingevolge het eerste lid een aanwijzing op grond van Hoofdstuk IV, afdeling I, van de Luchtvaartwetgeldt.