BWBR0025161
Geldig vanaf 14-01-2009
Artikel 10
Deelregeling projectsubsidies Internationalisering van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+ 2009
1. Bij productiesubsidies kunnen uitsluitend de volgende, rechtstreeks aan de productie toe te rekenen kosten voor subsidiëring in aanmerking komen:
a. personeelskosten;
b. voorbereiding en uitvoeringskosten;
c. kosten voor in te zetten c.q. te ontwikkelen marketinginstrumenten;
d. bureau en huisvestingskosten, inclusief accountantskosten die samenhangen met het opstellen van de eindverantwoording;
e. kosten voor een internationale tournee.
2. Bij afnamesubsidies kunnen uitsluitend de volgende, rechtstreeks aan de productie toe te rekenen kosten voor subsidiëring in aanmerking komen:
a. personeelskosten;
b. kosten voor in te zetten c.q. te ontwikkelen marketinginstrumenten;
c. kosten voor de programmering, in de zin van uitkoopsommen/partages.
3. Bovengenoemde kosten worden alleen in aanmerking genomen, voor zover de aanvrager aantoont dat deze rechtstreeks samenhangen met en toe te rekenen zijn aan het verrichten van activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd.
4. Niet voor subsidiëring in aanmerking komen:
a. kosten die zijn gemaakt voor het besluit tot subsidieverlening;
b. kosten voor activiteiten die niet relevant zijn in het licht van de doelstelling uit artikel 2;
c. structurele investeringen zoals kosten die betrekking hebben op exploitatie, investeringen in accomodaties en de aanschaf van instrumenten;
d. kosten die redelijkerwijs niet voor subsidie in aanmerking komen.
a. personeelskosten;
b. voorbereiding en uitvoeringskosten;
c. kosten voor in te zetten c.q. te ontwikkelen marketinginstrumenten;
d. bureau en huisvestingskosten, inclusief accountantskosten die samenhangen met het opstellen van de eindverantwoording;
e. kosten voor een internationale tournee.
2. Bij afnamesubsidies kunnen uitsluitend de volgende, rechtstreeks aan de productie toe te rekenen kosten voor subsidiëring in aanmerking komen:
a. personeelskosten;
b. kosten voor in te zetten c.q. te ontwikkelen marketinginstrumenten;
c. kosten voor de programmering, in de zin van uitkoopsommen/partages.
3. Bovengenoemde kosten worden alleen in aanmerking genomen, voor zover de aanvrager aantoont dat deze rechtstreeks samenhangen met en toe te rekenen zijn aan het verrichten van activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd.
4. Niet voor subsidiëring in aanmerking komen:
a. kosten die zijn gemaakt voor het besluit tot subsidieverlening;
b. kosten voor activiteiten die niet relevant zijn in het licht van de doelstelling uit artikel 2;
c. structurele investeringen zoals kosten die betrekking hebben op exploitatie, investeringen in accomodaties en de aanschaf van instrumenten;
d. kosten die redelijkerwijs niet voor subsidie in aanmerking komen.
- Wet
- Deelregeling projectsubsidies Internationalisering van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+ 2009
- Citeren als
- Art. 10
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0025161
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl