BWBR0025163
Geldig vanaf 01-01-2009
Artikel 5
Klokkenluiderregeling Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+
1. Betrokkene kan (het vermoeden van) een misstand, in afwijking van het bepaalde in artikel 2 direct melden bij de voorzitter van de Raad van Toezicht, indien
a. (het vermoeden van) een misstand een lid van de Raad van Bestuur betreft;
b. er sprake is van een uitzonderingsgrond als bedoeld in het volgende lid.
2. Een uitzonderingsgrond als bedoeld in het vorige lid onder b doet zich voor indien er sprake is van:
a. acuut gevaar, waarbij een zwaarwegend en spoedeisend maatschappelijk belang onmiddellijke externe melding noodzakelijk maakt;
b. een situatie waarin betrokkene in redelijkheid kan vrezen voor tegenmaatregelen als gevolg van een interne melding;
c. een acute dreiging van verduistering of vernietiging van bewijsmateriaal;
d. een eerdere interne melding conform de procedure van in wezen dezelfde misstand, die de misstand niet heeft weggenomen;
e. een wettelijke plicht of bevoegdheid tot direct extern melden.
3. De voorzitter van de Raad van Toezicht behandelt de melding op dezelfde wijze als de voorzitter van de Raad van Bestuur (zoals hiervoor beschreven). In dit geval kan alleen met toestemming van de Raad van Toezicht informatie omtrent de melding, de behandeling en/of de resultaten worden gegeven.
4. De voorzitter van de Raad van Toezicht maakt het standpunt naar aanleiding van de melding bekend aan de voorzitter van de Raad van Bestuur, nadat hij daarvoor van betrokkene toestemming heeft ontvangen. Afhankelijk van de bevindingen kan de voorzitter van de Raad van Toezicht de voorzitter van de Raad van Bestuur bindende aanwijzingen geven voor de afwikkeling van de melding.
a. (het vermoeden van) een misstand een lid van de Raad van Bestuur betreft;
b. er sprake is van een uitzonderingsgrond als bedoeld in het volgende lid.
2. Een uitzonderingsgrond als bedoeld in het vorige lid onder b doet zich voor indien er sprake is van:
a. acuut gevaar, waarbij een zwaarwegend en spoedeisend maatschappelijk belang onmiddellijke externe melding noodzakelijk maakt;
b. een situatie waarin betrokkene in redelijkheid kan vrezen voor tegenmaatregelen als gevolg van een interne melding;
c. een acute dreiging van verduistering of vernietiging van bewijsmateriaal;
d. een eerdere interne melding conform de procedure van in wezen dezelfde misstand, die de misstand niet heeft weggenomen;
e. een wettelijke plicht of bevoegdheid tot direct extern melden.
3. De voorzitter van de Raad van Toezicht behandelt de melding op dezelfde wijze als de voorzitter van de Raad van Bestuur (zoals hiervoor beschreven). In dit geval kan alleen met toestemming van de Raad van Toezicht informatie omtrent de melding, de behandeling en/of de resultaten worden gegeven.
4. De voorzitter van de Raad van Toezicht maakt het standpunt naar aanleiding van de melding bekend aan de voorzitter van de Raad van Bestuur, nadat hij daarvoor van betrokkene toestemming heeft ontvangen. Afhankelijk van de bevindingen kan de voorzitter van de Raad van Toezicht de voorzitter van de Raad van Bestuur bindende aanwijzingen geven voor de afwikkeling van de melding.
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0025163
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl