BWBR0025528
Geldig vanaf 31-12-2008
Artikel 4
Verordening PT bestrijding knolcyperus 2009
1. Door de ondernemer, aan wie een teeltverbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid is opgelegd, dienen maatregelen te worden genomen ter voorkoming van de verspreiding van knolcyperus. Deze maatregelen betreffen:
a. de verplichting op de daarbij voorgeschreven wijze en binnen de daarbij gestelde termijn ten aanzien van aangewezen planten maatregelen te treffen terzake van het behandelen, het verwijderen, opslaan, het vernietigen of het voor gebruik als voortkwekingsmateriaal ongeschikt maken;
b. de verplichting dat de teelt van aangewezen planten slechts is toegestaan onder de voorwaarde dat het rooien van die planten of een deel daarvan dan wel het voor voortkwekingsdoeleinden verwijderen van bovengrondse delen van die planten uitsluitend plaatsvindt nadat daartoe door de voorzitter, namens het bestuur, toestemming is verleend;
c. de verplichting dat het vervoeren van aangewezen planten slechts is toegestaan onder de voorwaarde, dat daartoe door de voorzitter, namens het bestuur, toestemming is verleend en de daarbij gegeven aanwijzingen worden opgevolgd;
d. de verplichting de op de in gebruik zijnde grond voorkomende knolcyperus te verwijderen en te vernietigen.
2. Bekendmaking van de in het eerste lid bedoelde maatregelen geschiedt door de voorzitter, namens het bestuur, bij aangetekend schrijven aan de ondernemer.
a. de verplichting op de daarbij voorgeschreven wijze en binnen de daarbij gestelde termijn ten aanzien van aangewezen planten maatregelen te treffen terzake van het behandelen, het verwijderen, opslaan, het vernietigen of het voor gebruik als voortkwekingsmateriaal ongeschikt maken;
b. de verplichting dat de teelt van aangewezen planten slechts is toegestaan onder de voorwaarde dat het rooien van die planten of een deel daarvan dan wel het voor voortkwekingsdoeleinden verwijderen van bovengrondse delen van die planten uitsluitend plaatsvindt nadat daartoe door de voorzitter, namens het bestuur, toestemming is verleend;
c. de verplichting dat het vervoeren van aangewezen planten slechts is toegestaan onder de voorwaarde, dat daartoe door de voorzitter, namens het bestuur, toestemming is verleend en de daarbij gegeven aanwijzingen worden opgevolgd;
d. de verplichting de op de in gebruik zijnde grond voorkomende knolcyperus te verwijderen en te vernietigen.
2. Bekendmaking van de in het eerste lid bedoelde maatregelen geschiedt door de voorzitter, namens het bestuur, bij aangetekend schrijven aan de ondernemer.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0025528
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl