BWBR0025958
Geldig vanaf 2022-02-15
Artikel 7.9
Binnenvaartregeling
1. De artikelen 14, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, onder 1°, en 16 van het besluit, zijn niet van toepassing op schepen, bestemd of gebruikt voor bedrijfsmatig vervoer van personen en ingericht om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen, indien de schipper in het bezit is van een zeilbewijs overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4en zolang er niet wordt gevaren op de wateren genoemd op de wateren genoemd in artikel 2, eerste lid, van het vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement.
2. Van artikel 16 van het besluitzijn vrijgesteld de gezagvoerders van schepen, voor zover zij zijn voorzien van het in het eerste lid bedoelde zeilbewijs.
3. Het zeilbewijs wordt door de minister afgegeven na overlegging van:
a. het diploma Schipper zeilvaart van het CBR dan wel het diploma Stuurman Kleine Zeilvaart van de Enkhuizer zeevaartschool;
b. een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, niet ouder dan drie maanden; en
c. een dienstboekje als bedoeld in artikel 5.11, waaruit blijkt dat de aanvrager een vaartijd van twee jaar als lid van de dekbemanning aan boord van zeilschepen heeft doorlopen.
4. Het in het derde lid, onderdeel a, bedoelde diploma wordt verkregen na het behalen van een door de minister goedgekeurd examen.
5. Op de aanvraag van het zeilbewijs is artikel 1.4van overeenkomstige toepassing.
6. Op het zeilbewijs zijn artikel 27, eerste lid, en artikel 30 van de wetvan overeenkomstige toepassing.
7. Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op de houder van het zeilbewijs artikel 22 van het besluitvan overeenkomstige toepassing.
8. Het eerste, zesde en zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing op zeilbewijzen afgegeven door de Stichting Koninklijk OnderwijsFonds voor de Scheepvaart.
9. Het zeilbewijs is aan boord van het schip.
2. Van artikel 16 van het besluitzijn vrijgesteld de gezagvoerders van schepen, voor zover zij zijn voorzien van het in het eerste lid bedoelde zeilbewijs.
3. Het zeilbewijs wordt door de minister afgegeven na overlegging van:
a. het diploma Schipper zeilvaart van het CBR dan wel het diploma Stuurman Kleine Zeilvaart van de Enkhuizer zeevaartschool;
b. een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, niet ouder dan drie maanden; en
c. een dienstboekje als bedoeld in artikel 5.11, waaruit blijkt dat de aanvrager een vaartijd van twee jaar als lid van de dekbemanning aan boord van zeilschepen heeft doorlopen.
4. Het in het derde lid, onderdeel a, bedoelde diploma wordt verkregen na het behalen van een door de minister goedgekeurd examen.
5. Op de aanvraag van het zeilbewijs is artikel 1.4van overeenkomstige toepassing.
6. Op het zeilbewijs zijn artikel 27, eerste lid, en artikel 30 van de wetvan overeenkomstige toepassing.
7. Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op de houder van het zeilbewijs artikel 22 van het besluitvan overeenkomstige toepassing.
8. Het eerste, zesde en zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing op zeilbewijzen afgegeven door de Stichting Koninklijk OnderwijsFonds voor de Scheepvaart.
9. Het zeilbewijs is aan boord van het schip.