BWBR0026339
Geldig vanaf 14-02-2009
Artikel 3
Overgangsregeling Cultuureducatie van de Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie 2009
1. Bij de uitvoering van het cultuureducatieve project moeten altijd een onderwijsorganisatie en een culturele instelling betrokken zijn.
2. De aanvrager dient een in het Koninkrijk der Nederlanden gevestigde rechtspersoon te zijn.
3. In het bestuur van de rechtspersoon die de aanvraag indient mogen geen personen zitting hebben die ook betrokken zijn bij de uitvoering het project.
4. De totale kosten van het project moeten meer dan 25.000 euro bedragen.
5. Van de aanvrager wordt een redelijke eigen bijdrage aan de projectkosten verwacht.
6. Het project wordt niet reeds gefinancierd met Rijkscultuurmiddelen.
7. Een subsidie wordt slechts verstrekt indien:
a. de behoefte aan ondersteuning door de aanvrager naar het oordeel van het bestuur van het Fonds voldoende is aangetoond;
b. de aanvrager niet toerekenbaar tekort geschoten is in de nakoming van de afspraken gemaakt voor een eerdere subsidieverplichting tussen aanvrager en (de rechtsvoorgangers van) het Fonds;
c. de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat de voor de activiteiten beschikbare financiële middelen, met inbegrip van de bijdrage van het Fonds en eventuele eigen inkomsten uit entreegelden, sponsoring of anderszins, voldoende zijn om de activiteiten uit te voeren;
d. de aanvrager heeft aangetoond dat er draagvlak is voor het project blijkend uit bijdragen van andere financiers;
e. te verwachten is dat de aanvrager het project of plan daadwerkelijk realiseert;
f. activiteiten waarvoor een subsidie wordt gevraagd in overeenstemming zijn met de doelstelling van het Fonds zoals vastgelegd in de statuten van het Fonds en aan de overige vereisten in deze regeling;
g. (de resultaten van) de activiteiten waarvoor een subsidie wordt verstrekt openbaar toegankelijk zijn;
h. de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet reeds in uitvoering zijn of worden uitgevoerd ten tijde van de behandeling van de aanvraag bij het Fonds.
2. De aanvrager dient een in het Koninkrijk der Nederlanden gevestigde rechtspersoon te zijn.
3. In het bestuur van de rechtspersoon die de aanvraag indient mogen geen personen zitting hebben die ook betrokken zijn bij de uitvoering het project.
4. De totale kosten van het project moeten meer dan 25.000 euro bedragen.
5. Van de aanvrager wordt een redelijke eigen bijdrage aan de projectkosten verwacht.
6. Het project wordt niet reeds gefinancierd met Rijkscultuurmiddelen.
7. Een subsidie wordt slechts verstrekt indien:
a. de behoefte aan ondersteuning door de aanvrager naar het oordeel van het bestuur van het Fonds voldoende is aangetoond;
b. de aanvrager niet toerekenbaar tekort geschoten is in de nakoming van de afspraken gemaakt voor een eerdere subsidieverplichting tussen aanvrager en (de rechtsvoorgangers van) het Fonds;
c. de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat de voor de activiteiten beschikbare financiële middelen, met inbegrip van de bijdrage van het Fonds en eventuele eigen inkomsten uit entreegelden, sponsoring of anderszins, voldoende zijn om de activiteiten uit te voeren;
d. de aanvrager heeft aangetoond dat er draagvlak is voor het project blijkend uit bijdragen van andere financiers;
e. te verwachten is dat de aanvrager het project of plan daadwerkelijk realiseert;
f. activiteiten waarvoor een subsidie wordt gevraagd in overeenstemming zijn met de doelstelling van het Fonds zoals vastgelegd in de statuten van het Fonds en aan de overige vereisten in deze regeling;
g. (de resultaten van) de activiteiten waarvoor een subsidie wordt verstrekt openbaar toegankelijk zijn;
h. de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet reeds in uitvoering zijn of worden uitgevoerd ten tijde van de behandeling van de aanvraag bij het Fonds.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0026339
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl