BWBR0028490
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 5
Wet identificatie bij dienstverlening BES
1. De dienstverlener is verplicht de identiteit van de natuurlijke persoon die namens een cliënt of namens een vertegenwoordiger van een cliënt bij hem verschijnt overeenkomstig de artikelen 3 en 4 vast te stellen voordat hij de dienst verleent.
2. De dienstverlener is verplicht na te gaan of de natuurlijke persoon die voor hem verschijnt voor zichzelf optreedt dan wel voor een derde.
3. Indien de natuurlijke persoon optreedt voor een derde is de dienstverlener verplicht de identiteit van die derde vast te stellen met behulp van door de natuurlijke persoon over te leggen documenten, bedoeld in artikel 3, tenzij artikel 2, eerste lid, tweede volzin, van toepassing is. Indien de derde optreedt voor een andere derde, is de dienstverlener verplicht de identiteit van die andere derde op dezelfde wijze vast te stellen, tenzij artikel 2, eerste lid, tweede volzin, van toepassing is.
4. Indien de dienstverlener weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de natuurlijke persoon die voor hem verschijnt niet voor zichzelf optreedt, dient hij redelijke maatregelen te treffen teneinde de identiteit van de cliënt voor wie hij optreedt en, ingeval van vertegenwoordiging van een cliënt door een derde van die vertegenwoordiger te achterhalen.
5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de natuurlijke persoon een dienstverlener is dan wel optreedt namens een dienstverlener waarop een vrijstelling als bedoeld in artikel 2, vierde lid, of een ontheffing als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van toepassing is, mits die dienstverlener de identiteit van de derde voor wie zij optreedt overeenkomstig deze wet dan wel overeenkomstig de wetgeving van een door Onze Minister aangewezen ander deel van het Koninkrijk of een door hem aangewezen andere Staat heeft vastgesteld.
6. Door Onze Minister kan vrijstelling en, op verzoek, ontheffing worden verleend van het derde en vierde lid. Aan een vrijstelling en aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
2. De dienstverlener is verplicht na te gaan of de natuurlijke persoon die voor hem verschijnt voor zichzelf optreedt dan wel voor een derde.
3. Indien de natuurlijke persoon optreedt voor een derde is de dienstverlener verplicht de identiteit van die derde vast te stellen met behulp van door de natuurlijke persoon over te leggen documenten, bedoeld in artikel 3, tenzij artikel 2, eerste lid, tweede volzin, van toepassing is. Indien de derde optreedt voor een andere derde, is de dienstverlener verplicht de identiteit van die andere derde op dezelfde wijze vast te stellen, tenzij artikel 2, eerste lid, tweede volzin, van toepassing is.
4. Indien de dienstverlener weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de natuurlijke persoon die voor hem verschijnt niet voor zichzelf optreedt, dient hij redelijke maatregelen te treffen teneinde de identiteit van de cliënt voor wie hij optreedt en, ingeval van vertegenwoordiging van een cliënt door een derde van die vertegenwoordiger te achterhalen.
5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de natuurlijke persoon een dienstverlener is dan wel optreedt namens een dienstverlener waarop een vrijstelling als bedoeld in artikel 2, vierde lid, of een ontheffing als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van toepassing is, mits die dienstverlener de identiteit van de derde voor wie zij optreedt overeenkomstig deze wet dan wel overeenkomstig de wetgeving van een door Onze Minister aangewezen ander deel van het Koninkrijk of een door hem aangewezen andere Staat heeft vastgesteld.
6. Door Onze Minister kan vrijstelling en, op verzoek, ontheffing worden verleend van het derde en vierde lid. Aan een vrijstelling en aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028490
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl