BWBR0031768
Geldig vanaf 01-08-2012
Artikel 5
Reglement erkenning projecten van reguliere onderwijsinstellingen
De onderwijs organisatie wordt geacht:
1. Een goede en (sociaal) veilige leerplaats conform de Arbo-wet te zijn en werkzaamheden, die behoren tot de kerntaken en werkprocessen van het beroep waarvoor de onderwijsdeelnemer wordt opgeleid, in een zo reëel mogelijke arbeidssituatie aan te bieden. De activiteiten die door BOL leerlingen (niveau 4) worden uitgevoerd, vormen een voorbereiding op de uitvoering van stages in echte (authentieke) leerbedrijven of doorstroming naar het HBO.
2. Aantoonbaar voldoende en deskundige begeleiding te bieden gericht op de deelnemer door een gecertificeerde praktijkopleider. Het competentieprofiel voor praktijkopleider wordt hierbij als maatstaf genomen en is opgenomen in bijlage 2.
3. Bereid te zijn tot overleg met het kenniscentrum.
4. Maximaal 25 % van de BPV tijd door een onderwijsdeelnemer uit te laten voeren in een project, de resterende BPV tijd wordt uitgevoerd in een (authentiek) leerbedrijf. Onderwijsinstellingen kunnen aantonen dat niet meer dan de afgesproken 25% van de BPV tijd door een onderwijsdeelnemer uitgevoerd is in het project.
5. Medewerking te verlenen aan een jaarlijks kwaliteitsbezoek door een vertegenwoordiger van het kenniscentrum.
6. Aantoonbare competenties te laten zien om in aanmerking te komen voor een vrijstellingsregeling voor praktijkopleiders.
7. Deel te nemen aan deskundigheidsbevorderingsactiviteiten voor praktijkopleiders.
8. Het bedrijfsleven is opdrachtgever van het project en is nauw betrokken bij de uitvoering daarvan.
9. Aantoonbare actieve samenwerking met het lokale bedrijfsleven. De samenwerking moet tot doel hebben het project te voorzien van reële opdrachten welke de praktijk weerspiegelen van een regulier bedrijf.
De eisen die aan een leerplaats en aan de begeleiding worden gesteld kunnen afhankelijk zijn van de bijzondere eisen per kwalificatie waarvoor de erkenning wordt verleend.
1. Een goede en (sociaal) veilige leerplaats conform de Arbo-wet te zijn en werkzaamheden, die behoren tot de kerntaken en werkprocessen van het beroep waarvoor de onderwijsdeelnemer wordt opgeleid, in een zo reëel mogelijke arbeidssituatie aan te bieden. De activiteiten die door BOL leerlingen (niveau 4) worden uitgevoerd, vormen een voorbereiding op de uitvoering van stages in echte (authentieke) leerbedrijven of doorstroming naar het HBO.
2. Aantoonbaar voldoende en deskundige begeleiding te bieden gericht op de deelnemer door een gecertificeerde praktijkopleider. Het competentieprofiel voor praktijkopleider wordt hierbij als maatstaf genomen en is opgenomen in bijlage 2.
3. Bereid te zijn tot overleg met het kenniscentrum.
4. Maximaal 25 % van de BPV tijd door een onderwijsdeelnemer uit te laten voeren in een project, de resterende BPV tijd wordt uitgevoerd in een (authentiek) leerbedrijf. Onderwijsinstellingen kunnen aantonen dat niet meer dan de afgesproken 25% van de BPV tijd door een onderwijsdeelnemer uitgevoerd is in het project.
5. Medewerking te verlenen aan een jaarlijks kwaliteitsbezoek door een vertegenwoordiger van het kenniscentrum.
6. Aantoonbare competenties te laten zien om in aanmerking te komen voor een vrijstellingsregeling voor praktijkopleiders.
7. Deel te nemen aan deskundigheidsbevorderingsactiviteiten voor praktijkopleiders.
8. Het bedrijfsleven is opdrachtgever van het project en is nauw betrokken bij de uitvoering daarvan.
9. Aantoonbare actieve samenwerking met het lokale bedrijfsleven. De samenwerking moet tot doel hebben het project te voorzien van reële opdrachten welke de praktijk weerspiegelen van een regulier bedrijf.
De eisen die aan een leerplaats en aan de begeleiding worden gesteld kunnen afhankelijk zijn van de bijzondere eisen per kwalificatie waarvoor de erkenning wordt verleend.
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0031768
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl