BWBR0032685
Geldig vanaf 01-01-2013
Artikel 4
Deelregeling Opdrachtgeverschap
1. Bij de beoordeling van een aanvraag geeft het bevoegd adviesorgaan een oordeel over het belang van het voorstel voor de hedendaagse beeldende kunst in Nederland. Daarbij beoordeelt het in de eerste plaats het aan de samenwerking ten grondslag liggende plan, in het bijzonder met het oog op de meerwaarde van de samenwerking en van het nieuw te maken werk binnen het oeuvre van de kunstenaar.
2. Verder worden de volgende criteria gehanteerd in onderlinge samenhang:
a. het oordeel over de de kwaliteit van het tot het moment van de aanvraag door de kunstenaar opgebouwde oeuvre en de ontwikkeling daarvan en het oordeel over aspecten van het cultureel ondernemerschap zoals de de manier waarop deze naar buiten treedt en een publiek voor zijn werk weet te vinden en te binden,
b. de haalbaarheid van het voorstel,
c. de wijze waarop de ontwikkeling en de zichtbaarheid van beeldende kunst en cultureel erfgoed worden gewaarborgd,
d. de rol en kwaliteit van de opdrachtgever,
e. de context van het ingediende plan.
3. Indien het bevoegde adviesorgaan de de in het eerste lid van dit artikel bedoelde aspecten niet van voldoende belang acht, komt het tot een negatief advies over de aanvraag.
4. Indien het bevoegde adviesorgaan de de in het eerste lid dit artikel bedoelde aspecten wel van voldoende belang acht, komt het tot een positief advies over de aanvraag.
5. Een positief advies kan vergezeld gaan van een aanbeveling over de hoogte van de toe te kennen financiële bijdrage.
6. Het bestuur kan het bevoegd adviesorgaan verzoeken de positieve adviezen in volgorde van prioriteit te rangschikken op basis van het oordeel zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel. Alsdan onderbouwt het zijn prioritering.
2. Verder worden de volgende criteria gehanteerd in onderlinge samenhang:
a. het oordeel over de de kwaliteit van het tot het moment van de aanvraag door de kunstenaar opgebouwde oeuvre en de ontwikkeling daarvan en het oordeel over aspecten van het cultureel ondernemerschap zoals de de manier waarop deze naar buiten treedt en een publiek voor zijn werk weet te vinden en te binden,
b. de haalbaarheid van het voorstel,
c. de wijze waarop de ontwikkeling en de zichtbaarheid van beeldende kunst en cultureel erfgoed worden gewaarborgd,
d. de rol en kwaliteit van de opdrachtgever,
e. de context van het ingediende plan.
3. Indien het bevoegde adviesorgaan de de in het eerste lid van dit artikel bedoelde aspecten niet van voldoende belang acht, komt het tot een negatief advies over de aanvraag.
4. Indien het bevoegde adviesorgaan de de in het eerste lid dit artikel bedoelde aspecten wel van voldoende belang acht, komt het tot een positief advies over de aanvraag.
5. Een positief advies kan vergezeld gaan van een aanbeveling over de hoogte van de toe te kennen financiële bijdrage.
6. Het bestuur kan het bevoegd adviesorgaan verzoeken de positieve adviezen in volgorde van prioriteit te rangschikken op basis van het oordeel zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel. Alsdan onderbouwt het zijn prioritering.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0032685
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl