BWBR0034162
Geldig vanaf 2022-06-15
Artikel 3a
Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013
1. Stichting Nuffic is het nationaal informatiecentrum, bedoeld in artikel IX.2, eerste lid, van het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002,137), is belast met de taken, bedoeld in artikel IX.2, tweede lid, van dit verdrag en is daarmee lid van het Europese Netwerk van nationale informatiecentra voor academische mobiliteit en erkenning, bedoeld in artikel X.3 van dit verdrag.
2. Stichting Nuffic is het kennis- en expertisecentrum op het gebied van internationalisering van het onderwijs en is belast met de volgende taken:
a. het desgevraagd verstrekken van advies over de waarde en authenticiteit van een in een ander land dan Nederland behaald diploma of opleidingsdocument 1°. aan het instellingsbestuur in het kader van de inschrijving van een student of aspirant-student, bedoeld in hoofdstuk 7, titel 2, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
2°. aan Onze Minister in het kader van de toestemming tot het voeren van de Nederlandse titulatuur, bedoeld in artikel 7.23, derde lid, en artikel 7.23a, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
1°. aan het instellingsbestuur in het kader van de inschrijving van een student of aspirant-student, bedoeld in hoofdstuk 7, titel 2, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
2°. aan Onze Minister in het kader van de toestemming tot het voeren van de Nederlandse titulatuur, bedoeld in artikel 7.23, derde lid, en artikel 7.23a, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
b. het desgevraagd adviseren van Onze Minister over de vergelijkbaarheid van opleidingen buiten Nederland of buiten het eigen openbaar lichaam met het oog op toekenning van studiefinanciering respectievelijk studiefinanciering BES voor een vergelijkbare opleiding in de zin van artikel 2.14 van de Wet studiefinanciering 2000 respectievelijk artikel 2.9 van de Wet studiefinanciering BES, voor zover het een ho-student als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering BES betreft;
c. het publiek beschikbaar stellen van informatie over internationalisering binnen het onderwijs;
d. het desgevraagd adviseren van Onze Minister over het beschikbaar stellen van beurzen die de internationalisering bevorderen;
e. het ontwikkelen en uitvoeren van overige activiteiten ter bevordering van de internationalisering binnen het onderwijs.
3. Onze Minister kan Stichting Nuffic subsidie verstrekken voor de taken, genoemd in dit artikel.
4. Onze Minister kan Stichting Nuffic aanwijzingen van algemene aard geven met betrekking tot de uitoefening van de taken, genoemd in het eerste en tweede lid.
5. Indien Stichting Nuffic naar het oordeel van Onze Minister de taken, bedoeld het eerste en tweede lid, ernstig verwaarloost, en de door Onze Minister hierover gegeven aanwijzingen niet opvolgt, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen. De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat Stichting Nuffic in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog de taken, genoemd het eerste en tweede lid, naar behoren uit te voeren.
6. Onze Minister stelt de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis van de getroffen voorzieningen bedoeld in het vijfde lid.
2. Stichting Nuffic is het kennis- en expertisecentrum op het gebied van internationalisering van het onderwijs en is belast met de volgende taken:
a. het desgevraagd verstrekken van advies over de waarde en authenticiteit van een in een ander land dan Nederland behaald diploma of opleidingsdocument 1°. aan het instellingsbestuur in het kader van de inschrijving van een student of aspirant-student, bedoeld in hoofdstuk 7, titel 2, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
2°. aan Onze Minister in het kader van de toestemming tot het voeren van de Nederlandse titulatuur, bedoeld in artikel 7.23, derde lid, en artikel 7.23a, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
1°. aan het instellingsbestuur in het kader van de inschrijving van een student of aspirant-student, bedoeld in hoofdstuk 7, titel 2, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
2°. aan Onze Minister in het kader van de toestemming tot het voeren van de Nederlandse titulatuur, bedoeld in artikel 7.23, derde lid, en artikel 7.23a, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
b. het desgevraagd adviseren van Onze Minister over de vergelijkbaarheid van opleidingen buiten Nederland of buiten het eigen openbaar lichaam met het oog op toekenning van studiefinanciering respectievelijk studiefinanciering BES voor een vergelijkbare opleiding in de zin van artikel 2.14 van de Wet studiefinanciering 2000 respectievelijk artikel 2.9 van de Wet studiefinanciering BES, voor zover het een ho-student als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering BES betreft;
c. het publiek beschikbaar stellen van informatie over internationalisering binnen het onderwijs;
d. het desgevraagd adviseren van Onze Minister over het beschikbaar stellen van beurzen die de internationalisering bevorderen;
e. het ontwikkelen en uitvoeren van overige activiteiten ter bevordering van de internationalisering binnen het onderwijs.
3. Onze Minister kan Stichting Nuffic subsidie verstrekken voor de taken, genoemd in dit artikel.
4. Onze Minister kan Stichting Nuffic aanwijzingen van algemene aard geven met betrekking tot de uitoefening van de taken, genoemd in het eerste en tweede lid.
5. Indien Stichting Nuffic naar het oordeel van Onze Minister de taken, bedoeld het eerste en tweede lid, ernstig verwaarloost, en de door Onze Minister hierover gegeven aanwijzingen niet opvolgt, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen. De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat Stichting Nuffic in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog de taken, genoemd het eerste en tweede lid, naar behoren uit te voeren.
6. Onze Minister stelt de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis van de getroffen voorzieningen bedoeld in het vijfde lid.