BWBR0034789
Geldig vanaf 11-02-2014
Artikel 6
Deelregeling Talentontwikkeling in Internationale Context
1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een bijdrage talentontwikkeling in internationale context geeft het bevoegd adviesorgaan een oordeel over het belang van het voorstel voor de hedendaagse beeldende kunst en/of het cultureel erfgoed. Daarbij worden de volgende aspecten gehanteerd in onderlinge samenhang:
– de kwaliteit van het tot het moment van de aanvraag door de aanvrager opgebouwde oeuvre en de ontwikkeling daarvan naar verwachting van belang voor de hedendaagse beeldende kunst en of cultureel erfgoed,
– de staat van dienst van de ontvangende partij (gerenommeerde kunstenaar/instelling)
– de match tussen de aanvrager en de ontvangende partij;
– de mogelijkheden die de ontvangende partij biedt voor het begeleiden van de aanvrager;
– de onderzoekende en vernieuwende houding van de aanvrager;
– de manier waarop deze naar buiten treedt en een publiek voor zijn werk wil vinden en binden,
2. Indien het bevoegde adviesorgaan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde functioneren van de aanvrager niet van voldoende belang acht, komt het tot een negatief advies over de aanvraag.
3. Indien het bevoegd adviesorgaan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde prestaties van de aanvrager wel van voldoende belang acht, beoordeelt het het bij de aanvraag behorende presentatie- en werkplan.
4. Indien het bevoegd adviesorgaan de in het eerste en derde lid genoemde aspecten in onderlinge samenhang positief beoordeelt brengt het een positief advies uit.
5. Indien het bevoegd adviesorgaan de in het eerste en derde lid genoemde aspecten in onderlinge samenhang negatief beoordeelt, brengt het een negatief advies uit.
6. Het bestuur kan het bevoegd adviesorgaan in verband met het beperkte budget verzoeken de positieve adviezen in volgorde van prioriteit te rangschikken op basis van het oordeel zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel. Alsdan onderbouwt het adviesorgaan zijn prioritering.
– de kwaliteit van het tot het moment van de aanvraag door de aanvrager opgebouwde oeuvre en de ontwikkeling daarvan naar verwachting van belang voor de hedendaagse beeldende kunst en of cultureel erfgoed,
– de staat van dienst van de ontvangende partij (gerenommeerde kunstenaar/instelling)
– de match tussen de aanvrager en de ontvangende partij;
– de mogelijkheden die de ontvangende partij biedt voor het begeleiden van de aanvrager;
– de onderzoekende en vernieuwende houding van de aanvrager;
– de manier waarop deze naar buiten treedt en een publiek voor zijn werk wil vinden en binden,
2. Indien het bevoegde adviesorgaan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde functioneren van de aanvrager niet van voldoende belang acht, komt het tot een negatief advies over de aanvraag.
3. Indien het bevoegd adviesorgaan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde prestaties van de aanvrager wel van voldoende belang acht, beoordeelt het het bij de aanvraag behorende presentatie- en werkplan.
4. Indien het bevoegd adviesorgaan de in het eerste en derde lid genoemde aspecten in onderlinge samenhang positief beoordeelt brengt het een positief advies uit.
5. Indien het bevoegd adviesorgaan de in het eerste en derde lid genoemde aspecten in onderlinge samenhang negatief beoordeelt, brengt het een negatief advies uit.
6. Het bestuur kan het bevoegd adviesorgaan in verband met het beperkte budget verzoeken de positieve adviezen in volgorde van prioriteit te rangschikken op basis van het oordeel zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel. Alsdan onderbouwt het adviesorgaan zijn prioritering.
- Citeren als
- Art. 6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0034789
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl