BWBR0036749
Geldig vanaf 29-07-2022
Artikel 3
Besluit mandaat Autoriteit woningcorporaties en aanwijzing toezichthouders Woningwet en WNT
1. Aan de inspecteur-generaal wordt ten behoeve van de werkzaamheden van de autoriteit mandaat en machtiging verleend voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Minister, bedoeld in de hoofdstukken IIIA en IV van de wet en artikel 119, eerste lid, 130a en 134 van de wet, voor zover die verband houden met de bevoegdheden waarvan de autoriteit ingevolge deze wet mandaat en machtiging wordt verleend.Daarnaast wordt mandaat en machtiging verleend voor de uitoefening van de bevoegdheden van de minister bedoeld in Hoofdstuk 2, artikel II, derde tot en met zesde lid, van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting en op basis van artikel III, lid 7 van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting voor zover het de bevoegdheid betreft als bedoeld in artikel 4:57 Algemene wet bestuursrecht, tot invordering van voor 1 juli 2015 ontvangen bijzondere projectsteun voor zover gekoppeld aan de eindafrekening van deze steun.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 19, vierde lid, 20, tweede en vijfde lid, 41b, 44, derde tot en met zesde lid, 53a, eerste lid, 54a en in de artikelen 57 tot en met 59, 59c, vierde en vijfde lid, 59g en in de artikelen 61a, eerste lid, tweede volzin en tweede lid, 61h, 61k, 61l, 61lb, 61u en in afdeling 6 van de wet.
3. Aan de inspecteur-generaal wordt ten behoeve van de werkzaamheden van de autoriteit mandaat en machtiging verleend voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Minister, bedoeld in:
a. hoofdstuk III, paragrafen 1, 3, 4 en 5, hoofdstuk IV en hoofdstuk V, met uitzondering van de artikelen 35, 36, 38, 39, eerste lid, tweede en derde volzin en 40 van het besluit,
b. artikel 121 van het besluit, met uitzondering van het eerste lid, laatste volzin, en
c. artikel 122 van het besluit voor zover de toepassing daarvan verband houdt met bevoegdheden waarvan de autoriteit anderszins mandaat wordt verleend.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 19, vierde lid, 20, tweede en vijfde lid, 41b, 44, derde tot en met zesde lid, 53a, eerste lid, 54a en in de artikelen 57 tot en met 59, 59c, vierde en vijfde lid, 59g en in de artikelen 61a, eerste lid, tweede volzin en tweede lid, 61h, 61k, 61l, 61lb, 61u en in afdeling 6 van de wet.
3. Aan de inspecteur-generaal wordt ten behoeve van de werkzaamheden van de autoriteit mandaat en machtiging verleend voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Minister, bedoeld in:
a. hoofdstuk III, paragrafen 1, 3, 4 en 5, hoofdstuk IV en hoofdstuk V, met uitzondering van de artikelen 35, 36, 38, 39, eerste lid, tweede en derde volzin en 40 van het besluit,
b. artikel 121 van het besluit, met uitzondering van het eerste lid, laatste volzin, en
c. artikel 122 van het besluit voor zover de toepassing daarvan verband houdt met bevoegdheden waarvan de autoriteit anderszins mandaat wordt verleend.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0036749
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl