BWBR0036791
Geldig vanaf 2015-07-08
Artikel 13
Besluit risico's zware ongevallen 2015
1. De toezichthouders zorgen gezamenlijk voor het opstellen en het beheren van een inspectiesysteem.
2. Inspecties worden afgestemd op het soort inrichting en zijn niet afhankelijk van de ontvangst van het veiligheidsrapport of van andere ingediende rapporten.
3. Inspecties zijn zodanig opgezet dat een planmatig en systematisch, technisch, organisatorisch en bedrijfskundig onderzoek van de in de inrichting gebruikte systemen kan worden uitgevoerd om na te gaan of:
a. de exploitant kan aantonen dat de passende maatregelen zijn getroffen teneinde zware ongevallen te voorkomen;
b. de exploitant kan aantonen dat in passende middelen is voorzien teneinde de gevolgen van zware ongevallen binnen en buiten de inrichting te beperken; en
c. de gegevens en informatie vervat in het veiligheidsrapport of in een ander ingediend rapport, de situatie in de inrichting adequaat weergeven.
4. De toezichthouders stellen gezamenlijk een inspectieplan op voor alle inrichtingen.
5. Het inspectieplan bevat ten minste:
a. een algemene beoordeling van de relevante veiligheidskwesties;
b. het geografische gebied dat het inspectieplan bestrijkt;
c. een lijst van de inrichtingen die onder het plan vallen;
d. een lijst van de inrichtingen, aangewezen overeenkomstig artikel 8, eerste lid;
e. een lijst van de inrichtingen waar specifieke externe risico's of gevarenbronnen het risico voor of de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen vergroten;
f. procedures voor routinematige inspecties, waaronder de programma's voor dergelijke inspecties, bedoeld in het zevende lid;
g. procedures voor niet-routinematige inspecties als bedoeld in het twaalfde lid; en
h. bepalingen inzake de samenwerking tussen de verschillende inspectiediensten.
6. De toezichthouders bezien het inspectieplan regelmatig. Indien nodig, werken de toezichthouders het inspectieplan bij.
7. De toezichthouders stellen gezamenlijk op basis van de inspectieplannen regelmatig programma’s voor routinematige en niet-routinematige inspecties voor alle inrichtingen op.
8. De programma’s, bedoeld in het zevende lid, vermelden in ieder geval de frequentie van de inspecties ter plaatse voor de verschillende soorten inrichtingen. De periode tussen twee opeenvolgende inspecties ter plaatse bedraagt ten hoogste:
a. één jaar voor hogedrempelinrichtingen;
b. drie jaar voor lagedrempelinrichtingen.
9. Het achtste lid, tweede volzin, is niet van toepassing indien de toezichthouders een inspectieprogramma hebben opgesteld op grond van een systematische evaluatie van de gevaren van zware ongevallen bij de betrokken inrichtingen.
10. De systematische evaluatie van de gevaren van de betrokken inrichtingen wordt in ieder geval gebaseerd op:
a. de mogelijke effecten van de betrokken inrichtingen op de menselijke gezondheid en het milieu;
b. gegevens betreffende de naleving van het bij of krachtens dit besluit bepaalde.
11. Onverminderd het tiende lid wordt, indien relevant, rekening gehouden met bevindingen van inspecties die zijn uitgevoerd krachtens andere wettelijke voorschriften.
12. Niet-routinematige inspecties worden uitgevoerd om ernstige klachten, ernstige ongevallen en bijna-ongevallen, incidenten en gevallen van niet-naleving zo spoedig mogelijk te onderzoeken.
13. De toezichthouders delen de exploitant binnen vier maanden na iedere inspectie de conclusies van de inspectie mede.
14. De toezichthouders zien erop toe dat de exploitant binnen een redelijke termijn na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het dertiende lid, de noodzakelijke acties neemt.
15. Als bij een inspectie een belangrijke overtreding van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt geconstateerd, wordt binnen zes maanden een aanvullende inspectie verricht.
16. De inspecties worden zoveel mogelijk gecoördineerd en, voor zover mogelijk, gecombineerd verricht met inspecties krachtens andere wettelijke voorschriften.
17. Het bevoegd gezag verschaft aan een ieder in ieder geval:
a. de datum van de laatste routinematige inspectie ter plaatse bij een inrichting of een verwijzing naar de plaats waar die informatie elektronisch kan worden geraadpleegd; en
b. inlichtingen over de wijze waarop er op verzoek meer gedetailleerde gegevens over de inspectie en het inspectieplan kunnen worden verkregen.
18. Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Veiligheid en Justitie, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het derde, zesde tot en met achtste, tiende tot en met twaalfde en het veertiende tot en met zeventiende lid.
2. Inspecties worden afgestemd op het soort inrichting en zijn niet afhankelijk van de ontvangst van het veiligheidsrapport of van andere ingediende rapporten.
3. Inspecties zijn zodanig opgezet dat een planmatig en systematisch, technisch, organisatorisch en bedrijfskundig onderzoek van de in de inrichting gebruikte systemen kan worden uitgevoerd om na te gaan of:
a. de exploitant kan aantonen dat de passende maatregelen zijn getroffen teneinde zware ongevallen te voorkomen;
b. de exploitant kan aantonen dat in passende middelen is voorzien teneinde de gevolgen van zware ongevallen binnen en buiten de inrichting te beperken; en
c. de gegevens en informatie vervat in het veiligheidsrapport of in een ander ingediend rapport, de situatie in de inrichting adequaat weergeven.
4. De toezichthouders stellen gezamenlijk een inspectieplan op voor alle inrichtingen.
5. Het inspectieplan bevat ten minste:
a. een algemene beoordeling van de relevante veiligheidskwesties;
b. het geografische gebied dat het inspectieplan bestrijkt;
c. een lijst van de inrichtingen die onder het plan vallen;
d. een lijst van de inrichtingen, aangewezen overeenkomstig artikel 8, eerste lid;
e. een lijst van de inrichtingen waar specifieke externe risico's of gevarenbronnen het risico voor of de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen vergroten;
f. procedures voor routinematige inspecties, waaronder de programma's voor dergelijke inspecties, bedoeld in het zevende lid;
g. procedures voor niet-routinematige inspecties als bedoeld in het twaalfde lid; en
h. bepalingen inzake de samenwerking tussen de verschillende inspectiediensten.
6. De toezichthouders bezien het inspectieplan regelmatig. Indien nodig, werken de toezichthouders het inspectieplan bij.
7. De toezichthouders stellen gezamenlijk op basis van de inspectieplannen regelmatig programma’s voor routinematige en niet-routinematige inspecties voor alle inrichtingen op.
8. De programma’s, bedoeld in het zevende lid, vermelden in ieder geval de frequentie van de inspecties ter plaatse voor de verschillende soorten inrichtingen. De periode tussen twee opeenvolgende inspecties ter plaatse bedraagt ten hoogste:
a. één jaar voor hogedrempelinrichtingen;
b. drie jaar voor lagedrempelinrichtingen.
9. Het achtste lid, tweede volzin, is niet van toepassing indien de toezichthouders een inspectieprogramma hebben opgesteld op grond van een systematische evaluatie van de gevaren van zware ongevallen bij de betrokken inrichtingen.
10. De systematische evaluatie van de gevaren van de betrokken inrichtingen wordt in ieder geval gebaseerd op:
a. de mogelijke effecten van de betrokken inrichtingen op de menselijke gezondheid en het milieu;
b. gegevens betreffende de naleving van het bij of krachtens dit besluit bepaalde.
11. Onverminderd het tiende lid wordt, indien relevant, rekening gehouden met bevindingen van inspecties die zijn uitgevoerd krachtens andere wettelijke voorschriften.
12. Niet-routinematige inspecties worden uitgevoerd om ernstige klachten, ernstige ongevallen en bijna-ongevallen, incidenten en gevallen van niet-naleving zo spoedig mogelijk te onderzoeken.
13. De toezichthouders delen de exploitant binnen vier maanden na iedere inspectie de conclusies van de inspectie mede.
14. De toezichthouders zien erop toe dat de exploitant binnen een redelijke termijn na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het dertiende lid, de noodzakelijke acties neemt.
15. Als bij een inspectie een belangrijke overtreding van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt geconstateerd, wordt binnen zes maanden een aanvullende inspectie verricht.
16. De inspecties worden zoveel mogelijk gecoördineerd en, voor zover mogelijk, gecombineerd verricht met inspecties krachtens andere wettelijke voorschriften.
17. Het bevoegd gezag verschaft aan een ieder in ieder geval:
a. de datum van de laatste routinematige inspectie ter plaatse bij een inrichting of een verwijzing naar de plaats waar die informatie elektronisch kan worden geraadpleegd; en
b. inlichtingen over de wijze waarop er op verzoek meer gedetailleerde gegevens over de inspectie en het inspectieplan kunnen worden verkregen.
18. Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Veiligheid en Justitie, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het derde, zesde tot en met achtste, tiende tot en met twaalfde en het veertiende tot en met zeventiende lid.