BWBR0040559
Geldig vanaf 01-03-2018
Artikel 19
Deelreglement Realisering van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film
1. De subsidie voor realisering van een speelfilm wordt beschikbaar gesteld ten behoeve van de vervaardiging van een werkkopie en de definitieve digitale filmprint die in de bioscoop en/of filmtheaters en tevens non theatrical zal worden uitgebracht.
2. Om tot een besluit van subsidieverlening te komen dient de producent op grond van een voornemen tot subsidieverlening de volgende stukken voor te leggen aan het bestuur van het Fonds:
– een onderbouwde intentieverklaring of garantieverklaring van een filmdistributeur; en
– een marketing- en distributiestrategie, in gezamenlijkheid met een filmdistributeur.
3. Een besluit tot subsidieverlening wordt genomen onder de voorwaarde dat voorafgaand aan de uiterlijke datum dat de uitvoeringsovereenkomst moet worden ondertekend een gedetailleerd crossmediaal marketing en distributieplan, in gezamenlijkheid met de filmdistributeur, aan het bestuur van het Fonds ter beoordeling en goedkeuring wordt voorgelegd. Dit plan dient gericht te zijn op het behalen van een optimaal publieksbereik via een theatrical en non theatrical release.
4. Indien de speelfilm of lange animatiefilm een mainstream film betreft en de aanvrager voldoet aan de vereisten van artikel 4 lid 1 sub b, kan een (extra) matching bijdrage beschikbaar worden gesteld. In afwijking van artikel 6 van dit deelreglement worden aanvragen voor deze matching bijdrage niet beoordeeld aan de hand van artikel 5 van het Algemeen Reglement maar aan de hand van de volgende beoordelingscriteria:
a. De regisseur heeft zich bewezen met eerdere filmproducties, het filmplan is solide en is inhoudelijk van zodanige kwaliteit dat deze naar het oordeel van het bestuur bijdraagt aan versterking van de cinematografische kwaliteit en diversiteit van de mainstreamfilm;
b. De mainstream film is gericht op het bereiken van minimaal 150.000 betalende bezoekers in de Nederlandse bioscopen dan wel 100.000 betalende bezoekers in het geval van een kinder- en jeugdfilm;
c. Ten genoegen van het bestuur van het Fonds dient te worden aangetoond dat: 1. de publieksprognose onderbouwd is door het filmplan met alle daartoe behorende bijlagen en stukken;
2. e beoogde uitbreng middels een financiële toezegging van een filmdistributeur en/of exploitanten gegarandeerd is;
3. 70% van de benodigde financiering van de productiekosten reeds onvoorwaardelijk en aantoonbaar is toegezegd door (markt)partijen in de vorm van financiële toezeggingen;
4. de filmproductie landelijk aantoonbaar in de Nederlandse bioscopen zal worden uitgebracht en tevens een non theatrical release zal krijgen;
5. het Fonds op grond van het beoogde publieksbereik vanaf een medium exploitatiescenario een substantieel deel van zijn subsidie kan terug ontvangen uit de exploitatieopbrengsten.
1. de publieksprognose onderbouwd is door het filmplan met alle daartoe behorende bijlagen en stukken;
2. e beoogde uitbreng middels een financiële toezegging van een filmdistributeur en/of exploitanten gegarandeerd is;
3. 70% van de benodigde financiering van de productiekosten reeds onvoorwaardelijk en aantoonbaar is toegezegd door (markt)partijen in de vorm van financiële toezeggingen;
4. de filmproductie landelijk aantoonbaar in de Nederlandse bioscopen zal worden uitgebracht en tevens een non theatrical release zal krijgen;
5. het Fonds op grond van het beoogde publieksbereik vanaf een medium exploitatiescenario een substantieel deel van zijn subsidie kan terug ontvangen uit de exploitatieopbrengsten.
2. Om tot een besluit van subsidieverlening te komen dient de producent op grond van een voornemen tot subsidieverlening de volgende stukken voor te leggen aan het bestuur van het Fonds:
– een onderbouwde intentieverklaring of garantieverklaring van een filmdistributeur; en
– een marketing- en distributiestrategie, in gezamenlijkheid met een filmdistributeur.
3. Een besluit tot subsidieverlening wordt genomen onder de voorwaarde dat voorafgaand aan de uiterlijke datum dat de uitvoeringsovereenkomst moet worden ondertekend een gedetailleerd crossmediaal marketing en distributieplan, in gezamenlijkheid met de filmdistributeur, aan het bestuur van het Fonds ter beoordeling en goedkeuring wordt voorgelegd. Dit plan dient gericht te zijn op het behalen van een optimaal publieksbereik via een theatrical en non theatrical release.
4. Indien de speelfilm of lange animatiefilm een mainstream film betreft en de aanvrager voldoet aan de vereisten van artikel 4 lid 1 sub b, kan een (extra) matching bijdrage beschikbaar worden gesteld. In afwijking van artikel 6 van dit deelreglement worden aanvragen voor deze matching bijdrage niet beoordeeld aan de hand van artikel 5 van het Algemeen Reglement maar aan de hand van de volgende beoordelingscriteria:
a. De regisseur heeft zich bewezen met eerdere filmproducties, het filmplan is solide en is inhoudelijk van zodanige kwaliteit dat deze naar het oordeel van het bestuur bijdraagt aan versterking van de cinematografische kwaliteit en diversiteit van de mainstreamfilm;
b. De mainstream film is gericht op het bereiken van minimaal 150.000 betalende bezoekers in de Nederlandse bioscopen dan wel 100.000 betalende bezoekers in het geval van een kinder- en jeugdfilm;
c. Ten genoegen van het bestuur van het Fonds dient te worden aangetoond dat: 1. de publieksprognose onderbouwd is door het filmplan met alle daartoe behorende bijlagen en stukken;
2. e beoogde uitbreng middels een financiële toezegging van een filmdistributeur en/of exploitanten gegarandeerd is;
3. 70% van de benodigde financiering van de productiekosten reeds onvoorwaardelijk en aantoonbaar is toegezegd door (markt)partijen in de vorm van financiële toezeggingen;
4. de filmproductie landelijk aantoonbaar in de Nederlandse bioscopen zal worden uitgebracht en tevens een non theatrical release zal krijgen;
5. het Fonds op grond van het beoogde publieksbereik vanaf een medium exploitatiescenario een substantieel deel van zijn subsidie kan terug ontvangen uit de exploitatieopbrengsten.
1. de publieksprognose onderbouwd is door het filmplan met alle daartoe behorende bijlagen en stukken;
2. e beoogde uitbreng middels een financiële toezegging van een filmdistributeur en/of exploitanten gegarandeerd is;
3. 70% van de benodigde financiering van de productiekosten reeds onvoorwaardelijk en aantoonbaar is toegezegd door (markt)partijen in de vorm van financiële toezeggingen;
4. de filmproductie landelijk aantoonbaar in de Nederlandse bioscopen zal worden uitgebracht en tevens een non theatrical release zal krijgen;
5. het Fonds op grond van het beoogde publieksbereik vanaf een medium exploitatiescenario een substantieel deel van zijn subsidie kan terug ontvangen uit de exploitatieopbrengsten.
- Citeren als
- Art. 19
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0040559
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl