BWBR0042294
Geldig vanaf 2020-07-01
Artikel 26
Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018
1. De voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aangevangen procedures inzake de naleving van de Jeugdwetzoals die wet luidde tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 16van deze wet, worden afgewikkeld overeenkomstig artikel 4.2.11 van die wetzoals die wet luidde tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 16 van deze wet.
2. Een jeugdhulpaanbieder, gecertificeerde instelling of pleegzorgaanbieder die betrokken is bij een procedure als bedoeld in het eerste lid en op grond van de Jeugdwetzoals deze luidt na inwerkingtreding van artikel 16van deze wet niet verplicht is tot het instellen of aanwijzen van een commissie van vertrouwenslieden, houdt een op grond van artikel 4.2.11of de artikelen 4.2.12juncto 4.2.11 van de Jeugdwet, zoals deze artikelen luidden voor de inwerkingtreding van artikel 16 van deze wet, ingestelde commissie of aanwijzing in stand zolang dat nodig is voor de toepassing van het eerste lid.
3. Een cliënten- of pleegouderraad die op grond van paragraaf 4.2.b van de Jeugdwetis ingesteld voor of op de dag, voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 16van deze wet, wordt aangemerkt als een cliënten- respectievelijk pleegouderraad die is ingesteld op grond van artikel 4.2.4respectievelijk 4.2.5 van de Jeugdwet.
4. Een jeugdhulpaanbieder, gecertificeerde instelling of pleegzorgaanbieder die voor de inwerkingtreding van artikel 16van deze wet reeds een medezeggenschapsregeling heeft vastgesteld, stelt binnen zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel een medezeggenschapsregeling vast die voldoet aan de krachtens de artikelen 4.2.4of 4.2.5 van de Jeugdwetgestelde eisen. Tot het tijdstip waarop een zodanige regeling is vastgesteld, doch ten hoogste totdat de in de eerste volzin bedoelde zes maanden zijn verstreken, wordt een regeling die is vastgesteld voor de inwerkingtreding van artikel 16 van deze wet aangemerkt als een medezeggenschapsregeling die voldoet aan de krachtens de artikelen 4.2.4 of 4.2.5 van de Jeugdwet gestelde eisen.
2. Een jeugdhulpaanbieder, gecertificeerde instelling of pleegzorgaanbieder die betrokken is bij een procedure als bedoeld in het eerste lid en op grond van de Jeugdwetzoals deze luidt na inwerkingtreding van artikel 16van deze wet niet verplicht is tot het instellen of aanwijzen van een commissie van vertrouwenslieden, houdt een op grond van artikel 4.2.11of de artikelen 4.2.12juncto 4.2.11 van de Jeugdwet, zoals deze artikelen luidden voor de inwerkingtreding van artikel 16 van deze wet, ingestelde commissie of aanwijzing in stand zolang dat nodig is voor de toepassing van het eerste lid.
3. Een cliënten- of pleegouderraad die op grond van paragraaf 4.2.b van de Jeugdwetis ingesteld voor of op de dag, voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 16van deze wet, wordt aangemerkt als een cliënten- respectievelijk pleegouderraad die is ingesteld op grond van artikel 4.2.4respectievelijk 4.2.5 van de Jeugdwet.
4. Een jeugdhulpaanbieder, gecertificeerde instelling of pleegzorgaanbieder die voor de inwerkingtreding van artikel 16van deze wet reeds een medezeggenschapsregeling heeft vastgesteld, stelt binnen zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel een medezeggenschapsregeling vast die voldoet aan de krachtens de artikelen 4.2.4of 4.2.5 van de Jeugdwetgestelde eisen. Tot het tijdstip waarop een zodanige regeling is vastgesteld, doch ten hoogste totdat de in de eerste volzin bedoelde zes maanden zijn verstreken, wordt een regeling die is vastgesteld voor de inwerkingtreding van artikel 16 van deze wet aangemerkt als een medezeggenschapsregeling die voldoet aan de krachtens de artikelen 4.2.4 of 4.2.5 van de Jeugdwet gestelde eisen.