BWBR0048050
Geldig vanaf 12-06-2026
Artikel 4
Uitvoeringswet EU-verordeningen grenzen en veiligheid
1. De officier van justitie oefent de taken en bevoegdheden uit van:
a. de controlerende autoriteit, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Eurodac-verordening; en
b. het centraal toegangspunt, bedoeld in: – artikel 3, tweede lid, van de VIS-verordening;
– artikel 29, derde lid, van de EES-verordening; en
– artikel 50, tweede lid, van de Etias-verordening.
– artikel 3, tweede lid, van de VIS-verordening;
– artikel 29, derde lid, van de EES-verordening; en
– artikel 50, tweede lid, van de Etias-verordening.
2. Bij de uitoefening van de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, treedt de officier van justitie volledig onafhankelijk op ten opzichte van de in artikel 3 aangewezen autoriteiten alsmede van de officier van justitie die het gezag over die autoriteiten uitoefent.
a. de controlerende autoriteit, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Eurodac-verordening; en
b. het centraal toegangspunt, bedoeld in: – artikel 3, tweede lid, van de VIS-verordening;
– artikel 29, derde lid, van de EES-verordening; en
– artikel 50, tweede lid, van de Etias-verordening.
– artikel 3, tweede lid, van de VIS-verordening;
– artikel 29, derde lid, van de EES-verordening; en
– artikel 50, tweede lid, van de Etias-verordening.
2. Bij de uitoefening van de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, treedt de officier van justitie volledig onafhankelijk op ten opzichte van de in artikel 3 aangewezen autoriteiten alsmede van de officier van justitie die het gezag over die autoriteiten uitoefent.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0048050
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl