BWBR0048156
Geldig vanaf 2025-10-01
Artikel 15
Wet digitale overheid
1. Dit artikel is van toepassing op elektronische dienstverlening, waarvoor ingevolge de regels, bedoeld in artikel 6, tweede lid, authenticatie op het betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog is vereist, aan ondernemingen of rechtspersonen die ingevolge de Handelsregisterwet 2007worden of kunnen worden ingeschreven in het handelsregister.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 7, accepteren bestuursorganen en aangewezen organisaties bij de toegang tot hun elektronische dienstverlening alle en uitsluitend erkende bedrijfs- en organisatiemiddelen en door erkende machtigingsdiensten afgegeven elektronische verklaringen waaruit blijkt dat een natuurlijke persoon, onderneming of rechtspersoon gemachtigd is namens de onderneming of rechtspersoon op te treden bij de toegang tot elektronische dienstverlening aan die onderneming of rechtspersoon. Bestuursorganen en aangewezen organisaties accepteren in elk geval een van de op grond van artikel 11, derde lid, erkende ontsluitende diensten.
3. De plicht om uitsluitend de in het tweede lid bedoelde identificatiemiddelen en verklaringen te accepteren, is niet van toepassing ten aanzien van:
a. het aanmaken van en de toegang tot een beveiligde elektronische postbus die deel uitmaakt van de elektronische omgeving van het centraal loket, bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet, voor een dienstenverrichter als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet, die niet in Nederland gevestigd is;
b. elektronische dienstverlening die plaatsvindt via het centraal loket, bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet, aan een dienstenverrichter als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet, die niet in Nederland gevestigd is.
4. Een bestuursorgaan of aangewezen organisatie kan, in afwijking van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk tweede lid, onderdeel a, een natuurlijk persoon die een onderneming drijft en bij de toegang tot elektronische dienstverlening gebruik maakt van een toegelaten identificatiemiddel, de toegang tot elektronische dienstverlening weigeren, indien aan dat middel het voor de dienstverlening noodzakelijke nummer ter identificatie van de onderneming niet is verbonden.
5. In geval ten behoeve van elektronische dienstverlening door een bestuursorgaan of aangewezen organisatie aan een specifieke doelgroep het gebruik van een ander bedrijfs- of organisatiemiddel dan een erkend bedrijfs- of organisatiemiddel gewenst is, gelet op de aard van de dienstverlening of de aard van het door de doelgroep uitgeoefende bedrijf of beroep, kan Onze Minister een bedrijfs- of organisatiemiddel aanwijzen dat voor een bij dat besluit te bepalen periode tevens voor de toegang tot die dienstverlening gebruikt mag worden.
6. Bij het besluit, bedoeld in het vijfde lid, wordt bepaald op welke dienstverlening, beroepsgroep en bestuursorganen of aangewezen organisaties de aanwijzing betrekking heeft. Aan het besluit kunnen voorschriften worden verbonden.
7. Een besluit als bedoeld in het vijfde lid wordt niet genomen ten aanzien van een bedrijfs- of organisatiemiddel dat niet voldoet aan de voor het betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog gestelde eisen ten aanzien van veiligheid en betrouwbaarheid.
8. Dit artikel laat onverlet de plicht, bedoeld in artikel 6 van de eIDAS-verordening, tot wederzijdse erkenning van een identificatiemiddel dat behoort tot een door een andere lidstaat van de Europese Unie ingevolge de eIDAS-verordening bij de Europese Commissie aangemeld stelsel, voor zover een bestuursorgaan of aangewezen organisatie is aan te merken als openbare instantie als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van de eIDAS-verordening.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 7, accepteren bestuursorganen en aangewezen organisaties bij de toegang tot hun elektronische dienstverlening alle en uitsluitend erkende bedrijfs- en organisatiemiddelen en door erkende machtigingsdiensten afgegeven elektronische verklaringen waaruit blijkt dat een natuurlijke persoon, onderneming of rechtspersoon gemachtigd is namens de onderneming of rechtspersoon op te treden bij de toegang tot elektronische dienstverlening aan die onderneming of rechtspersoon. Bestuursorganen en aangewezen organisaties accepteren in elk geval een van de op grond van artikel 11, derde lid, erkende ontsluitende diensten.
3. De plicht om uitsluitend de in het tweede lid bedoelde identificatiemiddelen en verklaringen te accepteren, is niet van toepassing ten aanzien van:
a. het aanmaken van en de toegang tot een beveiligde elektronische postbus die deel uitmaakt van de elektronische omgeving van het centraal loket, bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet, voor een dienstenverrichter als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet, die niet in Nederland gevestigd is;
b. elektronische dienstverlening die plaatsvindt via het centraal loket, bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet, aan een dienstenverrichter als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet, die niet in Nederland gevestigd is.
4. Een bestuursorgaan of aangewezen organisatie kan, in afwijking van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk tweede lid, onderdeel a, een natuurlijk persoon die een onderneming drijft en bij de toegang tot elektronische dienstverlening gebruik maakt van een toegelaten identificatiemiddel, de toegang tot elektronische dienstverlening weigeren, indien aan dat middel het voor de dienstverlening noodzakelijke nummer ter identificatie van de onderneming niet is verbonden.
5. In geval ten behoeve van elektronische dienstverlening door een bestuursorgaan of aangewezen organisatie aan een specifieke doelgroep het gebruik van een ander bedrijfs- of organisatiemiddel dan een erkend bedrijfs- of organisatiemiddel gewenst is, gelet op de aard van de dienstverlening of de aard van het door de doelgroep uitgeoefende bedrijf of beroep, kan Onze Minister een bedrijfs- of organisatiemiddel aanwijzen dat voor een bij dat besluit te bepalen periode tevens voor de toegang tot die dienstverlening gebruikt mag worden.
6. Bij het besluit, bedoeld in het vijfde lid, wordt bepaald op welke dienstverlening, beroepsgroep en bestuursorganen of aangewezen organisaties de aanwijzing betrekking heeft. Aan het besluit kunnen voorschriften worden verbonden.
7. Een besluit als bedoeld in het vijfde lid wordt niet genomen ten aanzien van een bedrijfs- of organisatiemiddel dat niet voldoet aan de voor het betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog gestelde eisen ten aanzien van veiligheid en betrouwbaarheid.
8. Dit artikel laat onverlet de plicht, bedoeld in artikel 6 van de eIDAS-verordening, tot wederzijdse erkenning van een identificatiemiddel dat behoort tot een door een andere lidstaat van de Europese Unie ingevolge de eIDAS-verordening bij de Europese Commissie aangemeld stelsel, voor zover een bestuursorgaan of aangewezen organisatie is aan te merken als openbare instantie als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van de eIDAS-verordening.