BWBR0050681
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 44
Wet bemanning zeeschepen
1. Het voor de leden van de rechterlijke macht bepaalde in de artikelen 46c, onderdelen b en c, 46ca, eerste lid, onderdeel a en d, 46f, 46g, eerste en tweede lid, 46i, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en tweede lid, 46l, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 46m, 46oen 46p, eerste tot en met vijfde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenarenis van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden van het tuchtcollege.
2. De disciplinaire maatregel van ontslag wordt door de Hoge Raad opgelegd en de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping wordt door de voorzitter van het tuchtcollege opgelegd.
3. De artikelen 13a, 13b, uitgezonderd het eerste lid, onderdelen b en c, en vierde lid, en 13c tot en met 13g van de Wet op de rechterlijke organisatie, zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van gedragingen van de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden van het tuchtcollege, met dien verstande dat:
a. voor de overeenkomstige toepassing van die artikelen onder «het betrokken gerechtsbestuur» wordt verstaan: de voorzitter van het tuchtcollege; en
b. de procureur-generaal niet verplicht is aan het verzoek, bedoeld in artikel 13a van de Wet op de rechterlijke organisatie te voldoen, indien de verzoeker redelijkerwijs onvoldoende belang heeft bij een onderzoek als bedoeld in datzelfde artikel.
2. De disciplinaire maatregel van ontslag wordt door de Hoge Raad opgelegd en de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping wordt door de voorzitter van het tuchtcollege opgelegd.
3. De artikelen 13a, 13b, uitgezonderd het eerste lid, onderdelen b en c, en vierde lid, en 13c tot en met 13g van de Wet op de rechterlijke organisatie, zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van gedragingen van de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden van het tuchtcollege, met dien verstande dat:
a. voor de overeenkomstige toepassing van die artikelen onder «het betrokken gerechtsbestuur» wordt verstaan: de voorzitter van het tuchtcollege; en
b. de procureur-generaal niet verplicht is aan het verzoek, bedoeld in artikel 13a van de Wet op de rechterlijke organisatie te voldoen, indien de verzoeker redelijkerwijs onvoldoende belang heeft bij een onderzoek als bedoeld in datzelfde artikel.