BWBR0052641
Geldig vanaf 27-05-2026
Artikel 2.2
Deelregeling Internationale Werkreis voor Individuen Fonds Podiumkunsten
1. Een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 1.3, lid 2 aanhef en onder a komt voor subsidie in aanmerking wanneer er naar het oordeel van het bestuur sprake van is dat:
a. de activiteit bijdraagt aan de artistiek-inhoudelijke oriëntatie of verdieping van vakinhoudelijke expertise van de aanvrager;
b. met een schriftelijke bevestiging aangetoond wordt dat de aanvrager minimaal één concrete afspraak heeft staan die direct verbonden is aan de activiteiten; en
c. de specificatie van de kosten realistisch en marktconform is.
2. Een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 1.3, lid 2 aanhef en onder b komt voor subsidie in aanmerking wanneer er naar het oordeel van het bestuur sprake van is dat:
a. de aanvrager is uitgenodigd om een uitvoering bij te wonen van een of meer van diens werken die op het moment van de aanvraag gerealiseerd zijn;
b. het bijwonen van de uitvoering bijdraagt aan de artistiek-inhoudelijke oriëntatie van de aanvrager; en
c. de aanvrager minimaal een aanvullende werkzaamheid ontplooit, zoals het repeteren van het werk, het geven van een lezing of workshop, waarvoor diens aanwezigheid vereist is.
a. de activiteit bijdraagt aan de artistiek-inhoudelijke oriëntatie of verdieping van vakinhoudelijke expertise van de aanvrager;
b. met een schriftelijke bevestiging aangetoond wordt dat de aanvrager minimaal één concrete afspraak heeft staan die direct verbonden is aan de activiteiten; en
c. de specificatie van de kosten realistisch en marktconform is.
2. Een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 1.3, lid 2 aanhef en onder b komt voor subsidie in aanmerking wanneer er naar het oordeel van het bestuur sprake van is dat:
a. de aanvrager is uitgenodigd om een uitvoering bij te wonen van een of meer van diens werken die op het moment van de aanvraag gerealiseerd zijn;
b. het bijwonen van de uitvoering bijdraagt aan de artistiek-inhoudelijke oriëntatie van de aanvrager; en
c. de aanvrager minimaal een aanvullende werkzaamheid ontplooit, zoals het repeteren van het werk, het geven van een lezing of workshop, waarvoor diens aanwezigheid vereist is.
- Citeren als
- Art. 2.2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0052641
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl