BWBR0053122
Geldig vanaf 24-09-2026
Artikel 3
Werkwijze Autoriteit Persoonsgegevens geheimhoudingsprivilege advocaat 2026
1. De toezichthoudend ambtenaar stelt het onderzoekssubject in de gelegenheid kenbaar te maken dat er een concreet redelijk vermoeden is dat er geprivilegieerd materiaal kan worden aangetroffen.
2. Indien het onderzoekssubject voldoende gemotiveerd aanleiding geeft tot zo’n concreet redelijk vermoeden kan de toezichthoudend ambtenaar afzien van het inzien dan wel het vorderen van de betreffende gegevens. Mocht de toezichthoudend ambtenaar aanleiding zien om de gegevens te vorderen, dan dient de functionaris verschoningsrecht eerst het geprivilegieerde karakter te toetsen van de gegevens die het onderzoekssubject als zodanig heeft geclaimd en dient de procedure uit artikel 5 van deze werkwijze te worden doorlopen. Afhankelijk van de uitkomst van die procedure mag de toezichthoudend ambtenaar de gegevens al dan niet inzien.
3. Indien het onderzoekssubject aangeeft dat er geen concreet redelijk vermoeden is als bedoeld in het eerste lid kan de toezichthoudend ambtenaar de gegevens zonder tussenkomst van de functionaris verschoningsrecht inzien en/of vorderen.
4. In het geval dat een toezichthoudend ambtenaar na het doorlopen van de leden 1 en 2 van dit artikel, of indien er sprake is van een situatie als bedoeld in lid 3, desondanks mogelijk geprivilegieerde gegevens aantreft in het materiaal dat niet als zodanig door het onderzoekssubject is geclaimd, legt hij deze gegevens terzijde en legt hij deze gegevens ter beoordeling voor aan de functionaris verschoningsrecht.
2. Indien het onderzoekssubject voldoende gemotiveerd aanleiding geeft tot zo’n concreet redelijk vermoeden kan de toezichthoudend ambtenaar afzien van het inzien dan wel het vorderen van de betreffende gegevens. Mocht de toezichthoudend ambtenaar aanleiding zien om de gegevens te vorderen, dan dient de functionaris verschoningsrecht eerst het geprivilegieerde karakter te toetsen van de gegevens die het onderzoekssubject als zodanig heeft geclaimd en dient de procedure uit artikel 5 van deze werkwijze te worden doorlopen. Afhankelijk van de uitkomst van die procedure mag de toezichthoudend ambtenaar de gegevens al dan niet inzien.
3. Indien het onderzoekssubject aangeeft dat er geen concreet redelijk vermoeden is als bedoeld in het eerste lid kan de toezichthoudend ambtenaar de gegevens zonder tussenkomst van de functionaris verschoningsrecht inzien en/of vorderen.
4. In het geval dat een toezichthoudend ambtenaar na het doorlopen van de leden 1 en 2 van dit artikel, of indien er sprake is van een situatie als bedoeld in lid 3, desondanks mogelijk geprivilegieerde gegevens aantreft in het materiaal dat niet als zodanig door het onderzoekssubject is geclaimd, legt hij deze gegevens terzijde en legt hij deze gegevens ter beoordeling voor aan de functionaris verschoningsrecht.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0053122
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl