BWBR0053133
Geldig vanaf 01-10-2026
Artikel 4
Tijdelijke subsidieregeling NBS Living Labs
1. De subsidie voor een kennisproject bedraagt ten hoogste:
a. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek door een onderneming;
b. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling door een onderneming;
c. 80% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten door een overige partij, waaronder onafhankelijk industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie.
2. De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, worden verhoogd met:
a. 20 procentpunten voor kleine ondernemingen als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel a, van de AGVV;
b. 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel a, van de AGVV; en
c. 15 procentpunten, indien voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, van de AGVV.
3. In afwijking van het tweede lid, kunnen de bedoelde percentages maximaal worden verhoogd tot 80%.
4. De subsidie voor een kennisproject bedraagt maximaal € 500.000,–.
5. Voor subsidie voor een kennisproject komen de kosten in aanmerking, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de AGVV.
6. Indien voor de berekening van de subsidiabele kosten uurtarieven worden gehanteerd, wordt gebruik gemaakt van:
a. een berekening op basis van de integrale kostensystematiek, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit;
b. een berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitaire opslag van 50% voor indirecte kosten, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van het Kaderbesluit; of
c. een berekening op basis van een forfaitair uurtarief van € 80,–.
a. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek door een onderneming;
b. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling door een onderneming;
c. 80% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten door een overige partij, waaronder onafhankelijk industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie.
2. De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, worden verhoogd met:
a. 20 procentpunten voor kleine ondernemingen als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel a, van de AGVV;
b. 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel a, van de AGVV; en
c. 15 procentpunten, indien voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, van de AGVV.
3. In afwijking van het tweede lid, kunnen de bedoelde percentages maximaal worden verhoogd tot 80%.
4. De subsidie voor een kennisproject bedraagt maximaal € 500.000,–.
5. Voor subsidie voor een kennisproject komen de kosten in aanmerking, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de AGVV.
6. Indien voor de berekening van de subsidiabele kosten uurtarieven worden gehanteerd, wordt gebruik gemaakt van:
a. een berekening op basis van de integrale kostensystematiek, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit;
b. een berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitaire opslag van 50% voor indirecte kosten, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van het Kaderbesluit; of
c. een berekening op basis van een forfaitair uurtarief van € 80,–.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0053133
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl