BWBR0001877
Geldig vanaf 1998-01-01
Artikel 4
Absintwet 1909
1. De opsporingsambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
2. Zij hebben, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is toegang:
a. tot de vervoermiddelen met inbegrip van woongedeelten, waarvan hun bekend is of redelijkerwijze door hen kan worden vermoed, dat daarmede absint wordt ingevoerd of vervoerd;
b. tot de plaatsen, waar een overtreding van deze wet gepleegd wordt, of waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat zoodanige overtreding gepleegd wordt.
2. Zij hebben, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is toegang:
a. tot de vervoermiddelen met inbegrip van woongedeelten, waarvan hun bekend is of redelijkerwijze door hen kan worden vermoed, dat daarmede absint wordt ingevoerd of vervoerd;
b. tot de plaatsen, waar een overtreding van deze wet gepleegd wordt, of waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat zoodanige overtreding gepleegd wordt.