BWBR0002326
Geldig vanaf 1959-10-01
Artikel 16
Rijkswachtgeldbesluit 1959
1. Ten aanzien van de betrokkene aan wie wachtgeld is toegekend en die uit hoofde van ziekte aanspraak heeft of krijgt op doorbetaling van zijn bezoldiging, wordt de verdere uitvoering van dit besluit opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat.
2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing in het geval doorbetaling van bezoldiging plaatsvindt op grond van artikel 95, achtste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
3. Ten aanzien van de betrokkene aan wie wachtgeld is toegekend en die zich ingevolge wettelijke verplichting als militair of als noodwachter in werkelijke dienst bevindt of moet begeven, wordt op een daartoe strekkende aanvraag de verdere uitvoering van dit besluit voor de duur van die dienst opgeschort.
4. Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing ingeval de betrokkene is tewerkgesteld als gewetensbezwaarde in de zin van artikel 9 van de Wet Gewetensbezwaren militaire dienst.
2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing in het geval doorbetaling van bezoldiging plaatsvindt op grond van artikel 95, achtste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
3. Ten aanzien van de betrokkene aan wie wachtgeld is toegekend en die zich ingevolge wettelijke verplichting als militair of als noodwachter in werkelijke dienst bevindt of moet begeven, wordt op een daartoe strekkende aanvraag de verdere uitvoering van dit besluit voor de duur van die dienst opgeschort.
4. Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing ingeval de betrokkene is tewerkgesteld als gewetensbezwaarde in de zin van artikel 9 van de Wet Gewetensbezwaren militaire dienst.