BWBR0002326
Geldig vanaf 1959-10-01
Artikel 7
Rijkswachtgeldbesluit 1959
1. Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste 12 maanden gelijk aan 80% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende zes maanden 75% van die bezoldiging en vervolgens 70% van die bezoldiging. Het bedrag van het wachtgeld daalt echter niet beneden het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene recht zou hebben, indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn gepensioneerd naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het pensioenreglement.
2. Het bedrag van het wachtgeld tijdens de verlenging, bedoeld in artikel 6 a, vierde lid, is gelijk aan 70% van de bezoldiging.
3. In afwijking van het eerste lid is het bedrag van het wachtgeld tijdens de verlenging bedoeld in artikel 6 a, vijfde lid, ten hoogste 50% van de bezoldiging.
2. Het bedrag van het wachtgeld tijdens de verlenging, bedoeld in artikel 6 a, vierde lid, is gelijk aan 70% van de bezoldiging.
3. In afwijking van het eerste lid is het bedrag van het wachtgeld tijdens de verlenging bedoeld in artikel 6 a, vijfde lid, ten hoogste 50% van de bezoldiging.