BWBR0002343
Geldig vanaf 1964-01-01
Artikel 19
Quarantainewet
1. De gezagvoerder van een schip, die een Nederlandse haven wil aandoen en weet of vermoedt, dat zijn schip als besmet of verdacht moet worden beschouwd of een haven in een besmette kring heeft aangedaan, draagt zorg:
a. dat hij van zijn wetenschap of vermoeden, zo mogelijk per radio, kennis geeft aan de burgemeester van de gemeente, waarbinnen de haven ligt, welke zijn schip zal aandoen, zodra het binnen de Nederlandse wateren is aangekomen;
b. dat, zodra het schip in het gezicht van de wal komt, een door Onze Minister vast te stellen sein wordt gevoerd, totdat het schip tot het vrije verkeer is toegelaten, of totdat dit het Nederlandse gebied heeft verlaten;
c. dat geen gemeenschap van het schip met de wal of met andere schepen plaatsheeft, alvorens het medische onderzoek is beëindigd en het schip tot het vrije verkeer zal zijn toegelaten.
2. Een aan boord genomen loods is verplicht de gezagvoerder op zijn in lid 1 genoemde verplichtingen te wijzen.
3. Hij, die de leiding heeft bij trein- of wegvervoer en weet of vermoedt, dat in zijn middel van vervoer bij aankomst in Nederland personen aanwezig zijn, die afkomstig zijn uit een besmette kring òf lijden aan, dan wel verdacht worden gevaar op te leveren voor verspreiding van, een quarantainabele ziekte, draagt zorg, dat hiervan onverwijld mededeling wordt gedaan aan de burgemeester van de gemeente, waar het vervoermiddel zich bevindt. Totdat hij terzake nadere aanwijzingen heeft ontvangen van de burgemeester of de arts, die deze bijstaat, draagt hij zorg, dat geen gevaar voor besmetting van anderen ontstaat.
4. Degenen, die zich in de trein of in het middel van wegvervoer bevinden, zijn verplicht zich te gedragen naar de aanwijzingen, die de leider van trein- of wegvervoer hun verstrekt ter uitvoering van het bepaalde in de tweede volzin van het derde lid. Zij zijn in elk geval verplicht in de trein of in het middel van wegvervoer of in de onmiddellijke nabijheid daarvan te blijven en contacten te vermijden, totdat op hen van toepassing zijn de aanwijzingen, gegeven door de burgemeester of de arts, die deze bijstaat.
5. Hij, die de leiding heeft bij het vervoer, wijst de in het vierde lid bedoelde personen op de in dat lid bedoelde verplichtingen.
6. De gezagvoerder van een luchtvaartuig is gehouden, gelijktijdig met het overleggen van het gezondheidsgedeelte van de algemene verklaring voor luchtvaartuigen aan de burgemeester of aan de arts, bedoeld in artikel 14, mede te delen, of het luchtvaartuig gedurende zijn laatste internationale reis een besmette kring heeft aangedaan.
a. dat hij van zijn wetenschap of vermoeden, zo mogelijk per radio, kennis geeft aan de burgemeester van de gemeente, waarbinnen de haven ligt, welke zijn schip zal aandoen, zodra het binnen de Nederlandse wateren is aangekomen;
b. dat, zodra het schip in het gezicht van de wal komt, een door Onze Minister vast te stellen sein wordt gevoerd, totdat het schip tot het vrije verkeer is toegelaten, of totdat dit het Nederlandse gebied heeft verlaten;
c. dat geen gemeenschap van het schip met de wal of met andere schepen plaatsheeft, alvorens het medische onderzoek is beëindigd en het schip tot het vrije verkeer zal zijn toegelaten.
2. Een aan boord genomen loods is verplicht de gezagvoerder op zijn in lid 1 genoemde verplichtingen te wijzen.
3. Hij, die de leiding heeft bij trein- of wegvervoer en weet of vermoedt, dat in zijn middel van vervoer bij aankomst in Nederland personen aanwezig zijn, die afkomstig zijn uit een besmette kring òf lijden aan, dan wel verdacht worden gevaar op te leveren voor verspreiding van, een quarantainabele ziekte, draagt zorg, dat hiervan onverwijld mededeling wordt gedaan aan de burgemeester van de gemeente, waar het vervoermiddel zich bevindt. Totdat hij terzake nadere aanwijzingen heeft ontvangen van de burgemeester of de arts, die deze bijstaat, draagt hij zorg, dat geen gevaar voor besmetting van anderen ontstaat.
4. Degenen, die zich in de trein of in het middel van wegvervoer bevinden, zijn verplicht zich te gedragen naar de aanwijzingen, die de leider van trein- of wegvervoer hun verstrekt ter uitvoering van het bepaalde in de tweede volzin van het derde lid. Zij zijn in elk geval verplicht in de trein of in het middel van wegvervoer of in de onmiddellijke nabijheid daarvan te blijven en contacten te vermijden, totdat op hen van toepassing zijn de aanwijzingen, gegeven door de burgemeester of de arts, die deze bijstaat.
5. Hij, die de leiding heeft bij het vervoer, wijst de in het vierde lid bedoelde personen op de in dat lid bedoelde verplichtingen.
6. De gezagvoerder van een luchtvaartuig is gehouden, gelijktijdig met het overleggen van het gezondheidsgedeelte van de algemene verklaring voor luchtvaartuigen aan de burgemeester of aan de arts, bedoeld in artikel 14, mede te delen, of het luchtvaartuig gedurende zijn laatste internationale reis een besmette kring heeft aangedaan.