BWBR0002380
Geldig vanaf 2003-02-06
Artikel 24
Bestrijdingsmiddelenwet 1962
1. Artikel 3, tweede lid, onderdeel a, is niet van toepassing op gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die op 25 juli 1993 nog niet eerder werden afgeleverd en die niet bij de in dat artikelonderdeel bedoelde communautaire maatregel zijn aangewezen, mits:
a. voldaan is aan de regelen, bedoeld in artikel 4a, tweede lid, tweede zin;
b. door het college wordt vastgesteld dat: - de residuen van de betreffende werkzame stoffen geen schadelijke uitwerking hebben op de gezondheid van mens en dier of op het grondwater en geen voor het milieu onaanvaardbaar effect, en deze residuen, voor zover zij in toxicologisch opzicht of uit milieu-oogpunt van belang zijn, door middel van algemeen gebruikte methoden kunnen worden gemeten;
- het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen na een toepassing die in overeenstemming is met de goede gewasbeschermingspraktijken, geen schadelijke uitwerking op de gezondheid van mens en dier en geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde tot en met ten tiende, en
- het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de overige voorwaarden voor toelating, bedoeld in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 3a.
- de residuen van de betreffende werkzame stoffen geen schadelijke uitwerking hebben op de gezondheid van mens en dier of op het grondwater en geen voor het milieu onaanvaardbaar effect, en deze residuen, voor zover zij in toxicologisch opzicht of uit milieu-oogpunt van belang zijn, door middel van algemeen gebruikte methoden kunnen worden gemeten;
- het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen na een toepassing die in overeenstemming is met de goede gewasbeschermingspraktijken, geen schadelijke uitwerking op de gezondheid van mens en dier en geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde tot en met ten tiende, en
- het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de overige voorwaarden voor toelating, bedoeld in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 3a.
2. In geval van een toelating waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid, geldt deze voor een termijn van ten hoogste drie jaren. Indien de termijn van toelating korter is dan drie jaren, kan deze één of meerdere malen worden verlengd met dien verstande, dat de totale duur van de termijn niet langer zal zijn dan drie jaren, tenzij ter uitvoering van een communautaire maatregel een langere termijn kan worden gesteld.
3. Het college kan een toelating waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid intrekken. Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing op een zodanige intrekking.
a. voldaan is aan de regelen, bedoeld in artikel 4a, tweede lid, tweede zin;
b. door het college wordt vastgesteld dat: - de residuen van de betreffende werkzame stoffen geen schadelijke uitwerking hebben op de gezondheid van mens en dier of op het grondwater en geen voor het milieu onaanvaardbaar effect, en deze residuen, voor zover zij in toxicologisch opzicht of uit milieu-oogpunt van belang zijn, door middel van algemeen gebruikte methoden kunnen worden gemeten;
- het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen na een toepassing die in overeenstemming is met de goede gewasbeschermingspraktijken, geen schadelijke uitwerking op de gezondheid van mens en dier en geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde tot en met ten tiende, en
- het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de overige voorwaarden voor toelating, bedoeld in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 3a.
- de residuen van de betreffende werkzame stoffen geen schadelijke uitwerking hebben op de gezondheid van mens en dier of op het grondwater en geen voor het milieu onaanvaardbaar effect, en deze residuen, voor zover zij in toxicologisch opzicht of uit milieu-oogpunt van belang zijn, door middel van algemeen gebruikte methoden kunnen worden gemeten;
- het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen na een toepassing die in overeenstemming is met de goede gewasbeschermingspraktijken, geen schadelijke uitwerking op de gezondheid van mens en dier en geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde tot en met ten tiende, en
- het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de overige voorwaarden voor toelating, bedoeld in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 3a.
2. In geval van een toelating waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid, geldt deze voor een termijn van ten hoogste drie jaren. Indien de termijn van toelating korter is dan drie jaren, kan deze één of meerdere malen worden verlengd met dien verstande, dat de totale duur van de termijn niet langer zal zijn dan drie jaren, tenzij ter uitvoering van een communautaire maatregel een langere termijn kan worden gesteld.
3. Het college kan een toelating waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid intrekken. Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing op een zodanige intrekking.