BWBR0002504
Geldig vanaf 1967-03-01
Artikel 10
Mijnwet continentaal plat
1. In een opsporings- of winningsvergunning kan worden bepaald, dat het deel van het continentaal plat, waarvoor zij geldt, door Onze Minister op daarbij aangegeven wijze kan worden beperkt.
2. Aan een opsporings- of winningsvergunning kan het voorschrift worden verbonden, dat de houder aan de Staat op door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te bepalen tijdstippen door hem vast te stellen bedragen verschuldigd wordt ter vergoeding van de kosten, die als gevolg van het krachtens de vergunning instellen van een opsporingsonderzoek of winnen van delfstoffen voor betonningen zijn gemaakt ter beveiliging van de scheepvaart of van voor genoemde werkzaamheden dienende mijnbouwinstallaties.
3. Aan een opsporings- of winningsvergunning kunnen voorts de voorschriften worden verbonden:
a. dat de houder aan de Staat bij het van kracht worden der vergunning een daarin vastgesteld bedrag verschuldigd wordt;
b. dat daarin aangeduide inrichtingen, welke bij het gebruik maken van de vergunning worden gebezigd, aan de houder toebehoren;
c. dat de houder een daarin bepaalde zekerheid zal stellen en gesteld houden voor de betaling van hetgeen hij ingevolge deze wet als houder van de vergunning dan wel door het gebruik maken daarvan aan de Staat verschuldigd zal worden; zodanig voorschrift blijft, ook nadat de vergunning haar kracht heeft verloren, gedurende een daarbij bepaalde termijn van kracht.
2. Aan een opsporings- of winningsvergunning kan het voorschrift worden verbonden, dat de houder aan de Staat op door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te bepalen tijdstippen door hem vast te stellen bedragen verschuldigd wordt ter vergoeding van de kosten, die als gevolg van het krachtens de vergunning instellen van een opsporingsonderzoek of winnen van delfstoffen voor betonningen zijn gemaakt ter beveiliging van de scheepvaart of van voor genoemde werkzaamheden dienende mijnbouwinstallaties.
3. Aan een opsporings- of winningsvergunning kunnen voorts de voorschriften worden verbonden:
a. dat de houder aan de Staat bij het van kracht worden der vergunning een daarin vastgesteld bedrag verschuldigd wordt;
b. dat daarin aangeduide inrichtingen, welke bij het gebruik maken van de vergunning worden gebezigd, aan de houder toebehoren;
c. dat de houder een daarin bepaalde zekerheid zal stellen en gesteld houden voor de betaling van hetgeen hij ingevolge deze wet als houder van de vergunning dan wel door het gebruik maken daarvan aan de Staat verschuldigd zal worden; zodanig voorschrift blijft, ook nadat de vergunning haar kracht heeft verloren, gedurende een daarbij bepaalde termijn van kracht.