BWBR0002564
Geldig vanaf 22-02-1989
Artikel 71
Mijnreglement continentaal plat
1. Van het voornemen om in of op het continentaal plat ten behoeve van een opsporingsonderzoek of het winnen van delfstoffen een pijpleiding te leggen moet, tenminste twaalf weken voordat met de desbetreffende werkzaamheden wordt aangevangen, schriftelijk mededeling worden gedaan aan Onze Minister, het Hoofd van de Afdeling Hydrografie van het Ministerie van Defensie, de Directeur-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, de houder van de concessie bedoeld in artikel 3 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat, de Directeur-Generaal voor de Landinrichting, Grond- en Bosbeheer, de Hoofdingenieur-Directeur van de Dienst voor het Stoomwezen en de Inspecteur-Generaal der Mijnen, onder opgave van:
a. de ligging van het traject, waarlangs de pijpleiding zal worden gelegd, uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het stelsel van de Europese vereffening;
b. de diameter van de pijpleiding en, indien zij in het continentaal plat zal worden gelegd, de minimale diepte waarop zij daarin zal komen te liggen;
c. de datum, waarop met de desbetreffende werkzaamheden zal worden aangevangen.
2. Een mededeling als in het eerste lid bedoeld moet vergezeld gaan van een doelmatige kaart, waarop de ligging van het traject, waarlangs de pijpleiding zal worden gelegd, en, indien zij in het continentaal plat zal worden gelegd, de minimale diepte waarop zij daarin zal komen te liggen op voldoend duidelijke wijze zijn aangegeven.
3. Van wijziging van de in het eerste lid bedoelde gegevens dient onverwijld schriftelijk mededeling te worden gedaan aan degenen, aan wie de in dat lid bedoelde mededeling moet worden gedaan.
a. de ligging van het traject, waarlangs de pijpleiding zal worden gelegd, uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het stelsel van de Europese vereffening;
b. de diameter van de pijpleiding en, indien zij in het continentaal plat zal worden gelegd, de minimale diepte waarop zij daarin zal komen te liggen;
c. de datum, waarop met de desbetreffende werkzaamheden zal worden aangevangen.
2. Een mededeling als in het eerste lid bedoeld moet vergezeld gaan van een doelmatige kaart, waarop de ligging van het traject, waarlangs de pijpleiding zal worden gelegd, en, indien zij in het continentaal plat zal worden gelegd, de minimale diepte waarop zij daarin zal komen te liggen op voldoend duidelijke wijze zijn aangegeven.
3. Van wijziging van de in het eerste lid bedoelde gegevens dient onverwijld schriftelijk mededeling te worden gedaan aan degenen, aan wie de in dat lid bedoelde mededeling moet worden gedaan.
- Citeren als
- Art. 71
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002564
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl