BWBR0002564
Geldig vanaf 01-05-1983
Artikel 76
Mijnreglement continentaal plat
1. Een in of op het continentaal plat ten behoeve van een opsporingsonderzoek of het winnen van delfstoffen gelegde pijpleiding moet, tijdig voordat zij in gebruik wordt genomen, door een ter zake deskundige instelling of onderneming op doelmatige wijze worden onderzocht ter nauwkeurige vaststelling van het traject, waarlangs zij is gelegen, en, indien de leiding in het continentaal plat is gelegen, de diepte waarop zij daarin ligt, zomede ten overstaan van de Hoofdingenieur-Directeur van de Dienst voor het Stoomwezen op de staat waarin zij verkeert.
2. Een pijpleiding als in het eerste lid bedoeld moet vervolgens binnen door Onze Minister aangegeven termijnen periodiek, alsmede tussentijds, indien en voor zover hij zulks verlangt, door een ter zake deskundige instelling of onderneming op doelmatige wijze worden onderzocht, indien de pijpleiding op het continentaal plat is gelegd, ter vaststelling van mogelijke afwijkingen van haar ligging ten opzichte van het traject, zoals opgegeven ingevolge artikel 71, eerste lid, onder a, of aangegeven krachtens artikel 72, dan wel toegestaan krachtens artikel 76a, tweede lid, of, indien zij in het continentaal plat is gelegd, ter vaststelling van haar mogelijk ondiepere ligging daarin dan opgegeven ingevolge artikel 71, eerste lid, onder b, of aangegeven krachtens artikel 72, dan wel toegestaan krachtens artikel 76a, tweede lid. Een periodiek onderzoek moet te allen tijde en een tussentijds onderzoek moet, indien Onze Minister zulks verlangt, mede omvatten een op de staat waarin de leiding verkeert gericht onderzoek; zodanig onderzoek moet, indien en voor zover door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, noodzakelijk geacht, ten overstaan van de Hoofdingenieur-Directeur van de Dienst voor het Stoomwezen worden verricht.
3. Indien en voor zover bij een periodiek of tussentijds onderzoek van een in het continentaal plat gelegen pijpleiding een ondiepere ligging daarvan als in het eerste lid bedoeld wordt geconstateerd en zij door die ondiepere ligging gevaar voor de veiligheid van de scheepvaart of van de visserij kan opleveren, moet het onderzoek mede zijn gericht op mogelijke afwijkingen van de ligging der pijpleiding ten opzichte van het traject als in dat lid bedoeld.
4. Tenminste twee weken voordat met een onderzoek ingevolge het eerste of tweede lid wordt aangevangen moet aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen schriftelijk worden medegedeeld door welke instelling of onderneming het onderzoek zal worden verricht.
5. Van ieder ingevolge het eerste of tweede lid verricht onderzoek moet een doelmatig rapport worden opgesteld, waarvan binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan hem een afschrift dient te worden toegezonden, alsmede aan het Hoofd van de Afdeling Hydrografie van het Ministerie van Defensie, de Directeur-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat, de Directeur-Generaal voor de Landinrichting, Grond- en Bosbeheer, de Hoofdingenieur-Directeur van de Dienst voor het Stoomwezen en de Inspecteur-Generaal der Mijnen.
2. Een pijpleiding als in het eerste lid bedoeld moet vervolgens binnen door Onze Minister aangegeven termijnen periodiek, alsmede tussentijds, indien en voor zover hij zulks verlangt, door een ter zake deskundige instelling of onderneming op doelmatige wijze worden onderzocht, indien de pijpleiding op het continentaal plat is gelegd, ter vaststelling van mogelijke afwijkingen van haar ligging ten opzichte van het traject, zoals opgegeven ingevolge artikel 71, eerste lid, onder a, of aangegeven krachtens artikel 72, dan wel toegestaan krachtens artikel 76a, tweede lid, of, indien zij in het continentaal plat is gelegd, ter vaststelling van haar mogelijk ondiepere ligging daarin dan opgegeven ingevolge artikel 71, eerste lid, onder b, of aangegeven krachtens artikel 72, dan wel toegestaan krachtens artikel 76a, tweede lid. Een periodiek onderzoek moet te allen tijde en een tussentijds onderzoek moet, indien Onze Minister zulks verlangt, mede omvatten een op de staat waarin de leiding verkeert gericht onderzoek; zodanig onderzoek moet, indien en voor zover door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, noodzakelijk geacht, ten overstaan van de Hoofdingenieur-Directeur van de Dienst voor het Stoomwezen worden verricht.
3. Indien en voor zover bij een periodiek of tussentijds onderzoek van een in het continentaal plat gelegen pijpleiding een ondiepere ligging daarvan als in het eerste lid bedoeld wordt geconstateerd en zij door die ondiepere ligging gevaar voor de veiligheid van de scheepvaart of van de visserij kan opleveren, moet het onderzoek mede zijn gericht op mogelijke afwijkingen van de ligging der pijpleiding ten opzichte van het traject als in dat lid bedoeld.
4. Tenminste twee weken voordat met een onderzoek ingevolge het eerste of tweede lid wordt aangevangen moet aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen schriftelijk worden medegedeeld door welke instelling of onderneming het onderzoek zal worden verricht.
5. Van ieder ingevolge het eerste of tweede lid verricht onderzoek moet een doelmatig rapport worden opgesteld, waarvan binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan hem een afschrift dient te worden toegezonden, alsmede aan het Hoofd van de Afdeling Hydrografie van het Ministerie van Defensie, de Directeur-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat, de Directeur-Generaal voor de Landinrichting, Grond- en Bosbeheer, de Hoofdingenieur-Directeur van de Dienst voor het Stoomwezen en de Inspecteur-Generaal der Mijnen.
- Citeren als
- Art. 76
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002564
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl