BWBR0002611
Geldig vanaf 1968-01-01
Artikel 13
Natuurbeschermingswet
1. Onze Minister bevestigt onverwijld, met vermelding van de datum, de ontvangst van het verzoek om een vergunning. Hij zendt gelijktijdig een afschrift van het verzoek en van de ontvangstbevestiging aan gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders, die binnen twee maanden na de op de ontvangstbevestiging vermelde datum van hun oordeel kunnen doen blijken.
2. Onze Minister beslist op het verzoek binnen drie maanden na de datum van ontvangst. Onze Minister kan de termijn met drie maanden verlengen; hij geeft de verzoeker daarvan kennis vóór het verstrijken van de termijn. Onze Minister geeft van deze verlenging mede kennis aan gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders.
3. Indien Onze Minister van oordeel is, dat weigering van een gevraagde vergunning een ander algemeen belang zou schaden, weigert hij deze niet alvorens de Rijksplanologische Commissie te hebben gehoord. In zodanig geval kan Onze Minister de termijn, binnen welke hij op het verzoek moet beslissen, andermaal met drie maanden verlengen; hij geeft de verzoeker daarvan kennis vóór het verstrijken van de eenmaal verlengde termijn. Onze Minister geeft van deze verlenging mede kennis aan gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders.
4. Indien Onze Minister zijn beschikking niet binnen de krachtens het tweede of het derde lid geldende termijn ter kennis van de verzoeker heeft gebracht, wordt de vergunning geacht te zijn verleend.
2. Onze Minister beslist op het verzoek binnen drie maanden na de datum van ontvangst. Onze Minister kan de termijn met drie maanden verlengen; hij geeft de verzoeker daarvan kennis vóór het verstrijken van de termijn. Onze Minister geeft van deze verlenging mede kennis aan gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders.
3. Indien Onze Minister van oordeel is, dat weigering van een gevraagde vergunning een ander algemeen belang zou schaden, weigert hij deze niet alvorens de Rijksplanologische Commissie te hebben gehoord. In zodanig geval kan Onze Minister de termijn, binnen welke hij op het verzoek moet beslissen, andermaal met drie maanden verlengen; hij geeft de verzoeker daarvan kennis vóór het verstrijken van de eenmaal verlengde termijn. Onze Minister geeft van deze verlenging mede kennis aan gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders.
4. Indien Onze Minister zijn beschikking niet binnen de krachtens het tweede of het derde lid geldende termijn ter kennis van de verzoeker heeft gebracht, wordt de vergunning geacht te zijn verleend.