BWBR0002611
Geldig vanaf 1968-01-01
Artikel 31
Natuurbeschermingswet
1. Bij het bestaan van een voornemen tot onteigening in het belang der natuurbescherming krachtens titel VIII der onteigeningswetkan Onze Minister met name genoemde handelingen verbieden, die schadelijk zijn voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van de bij de voorgenomen onteigening betrokken onroerende zaak.
2. Het verbod vervalt door de overgang van de eigendom van de zaak op de onteigenende partij alsmede indien het niet binnen twee jaar is gevolgd door een zodanige eigendomsovergang, tenzij alsdan een geding aanhangig is als bedoeld in hoofdstuk III van titel I der onteigeningswet. Die termijn kunnen Wij bij een in de Staatscourantte plaatsen besluit met ten hoogste een jaar verlengen.
3. Onze Minister is te allen tijde bevoegd het verbod geheel of gedeeltelijk in te trekken dan wel daarvan ontheffing te verlenen.
4. Onze Minister doet van het verbod mededeling in de Staatscourant.
2. Het verbod vervalt door de overgang van de eigendom van de zaak op de onteigenende partij alsmede indien het niet binnen twee jaar is gevolgd door een zodanige eigendomsovergang, tenzij alsdan een geding aanhangig is als bedoeld in hoofdstuk III van titel I der onteigeningswet. Die termijn kunnen Wij bij een in de Staatscourantte plaatsen besluit met ten hoogste een jaar verlengen.
3. Onze Minister is te allen tijde bevoegd het verbod geheel of gedeeltelijk in te trekken dan wel daarvan ontheffing te verlenen.
4. Onze Minister doet van het verbod mededeling in de Staatscourant.