BWBR0002682
Geldig vanaf 2002-07-01
Artikel 7
Wet verontreiniging oppervlaktewateren
1. Op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om verlening van een vergunning krachtens artikel 1, eerste of vierde lid, of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 1, derde lid, eerste volzin, voorzover dit bij die maatregel is bepaald, zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrechten afdeling 13.2 van de Wet milieubeheervan toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrechten afdeling 13.2 van de Wet milieubeheerniet van toepassing, indien de beschikking betrekking heeft op afvalwater van huishoudelijke aard, waarvan met betrekking tot de vervuiling met zuurstofbindende stoffen de vervuilingswaarde geringer is dan honderd vervuilingseenheden, tenzij dat afvalwater wordt gebracht in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen oppervlaktewateren.
3. Een vervuilingseenheid vertegenwoordigt het verbruik van 54,8 kilogram zuurstof per kalenderjaar.
4. Het orgaan dat bevoegd is de beschikking op de aanvrage te geven, stelt de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorganen in de gelegenheid hem van advies te dienen omtrent het ontwerp van de beschikking.
5. De artikelen 8.8 tot en met 8.13, 8.15 tot en met 8.20, 8.21, voor zover het gevallen betreft waarop artikel 31a niet van toepassing is, 8.22, 8.27en 21.1 van de Wet milieubeheerzijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vergunning als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat voor die toepassing onder "Onze Minister" wordt verstaan: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
6. In gevallen waarin een vergunning krachtens deze wet wordt aangevraagd voor het brengen in het oppervlaktewater van stoffen als bedoeld in artikel 1, vanuit een inrichting met betrekking waartoe een algemene maatregel van bestuur geldt, vastgesteld krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, draagt het bevoegd gezag er bij de beslissing op de aanvrage zorg voor dat er geen strijd ontstaat met bij die maatregel gestelde regels.
2. In afwijking van het eerste lid zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrechten afdeling 13.2 van de Wet milieubeheerniet van toepassing, indien de beschikking betrekking heeft op afvalwater van huishoudelijke aard, waarvan met betrekking tot de vervuiling met zuurstofbindende stoffen de vervuilingswaarde geringer is dan honderd vervuilingseenheden, tenzij dat afvalwater wordt gebracht in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen oppervlaktewateren.
3. Een vervuilingseenheid vertegenwoordigt het verbruik van 54,8 kilogram zuurstof per kalenderjaar.
4. Het orgaan dat bevoegd is de beschikking op de aanvrage te geven, stelt de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorganen in de gelegenheid hem van advies te dienen omtrent het ontwerp van de beschikking.
5. De artikelen 8.8 tot en met 8.13, 8.15 tot en met 8.20, 8.21, voor zover het gevallen betreft waarop artikel 31a niet van toepassing is, 8.22, 8.27en 21.1 van de Wet milieubeheerzijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vergunning als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat voor die toepassing onder "Onze Minister" wordt verstaan: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
6. In gevallen waarin een vergunning krachtens deze wet wordt aangevraagd voor het brengen in het oppervlaktewater van stoffen als bedoeld in artikel 1, vanuit een inrichting met betrekking waartoe een algemene maatregel van bestuur geldt, vastgesteld krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, draagt het bevoegd gezag er bij de beslissing op de aanvrage zorg voor dat er geen strijd ontstaat met bij die maatregel gestelde regels.