BWBR0003221
Geldig vanaf 1999-11-30
Artikel 10
Huurprijzenwet woonruimte
1. De huurprijs van woonruimte, waarin of waaraan gedurende de huurtijd door of vanwege de verhuurder:
a. ingrepen als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten zijn verricht, in de kosten waarvan door de gemeente een financiële tegemoetkoming is verleend,
b. bouwkundige of woontechnische ingrepen zijn verricht, in de kosten waarvan ingevolge enige wettelijke regeling een financiële tegemoetkoming is verleend en die uitsluitend geen woonvoorziening of onderdeel daarvan zijn in de zin van artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet voorzieningen gehandicapten, omdat de kosten het in laatstgenoemd onderdeel genoemde bedrag te boven gaan, of
c. voorzieningen zijn aangebracht, waardoor het woongerief geacht kan worden te zijn gestegen, die niet zijn ingrepen als bedoeld onder a of b, is de huurprijs, vermeerderd met een door de huurder en de verhuurder, voordat de ingrepen of de voorzieningen tot stand zijn gekomen, overeen te komen bedrag, dat in redelijke verhouding staat tot de door de verhuurder bestede kosten van de ingrepen onderscheidenlijk de voorzieningen, met dien verstande, dat de nieuwe huurprijs niet hoger mag zijn dan die, welke bij toepassing van de regelen, bedoeld in artikel 15, eerste lid, als redelijk is aan te merken.
2. De huurcommissie brengt desverzocht aan de huurder of aan de verhuurder of aan beiden een met redenen omkleed schriftelijk advies uit over de vraag welke de betalingsverplichting van de huurder is met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde huurprijs. De wederpartij van de verzoeker ontvangt afschrift van het advies.
a. ingrepen als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten zijn verricht, in de kosten waarvan door de gemeente een financiële tegemoetkoming is verleend,
b. bouwkundige of woontechnische ingrepen zijn verricht, in de kosten waarvan ingevolge enige wettelijke regeling een financiële tegemoetkoming is verleend en die uitsluitend geen woonvoorziening of onderdeel daarvan zijn in de zin van artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet voorzieningen gehandicapten, omdat de kosten het in laatstgenoemd onderdeel genoemde bedrag te boven gaan, of
c. voorzieningen zijn aangebracht, waardoor het woongerief geacht kan worden te zijn gestegen, die niet zijn ingrepen als bedoeld onder a of b, is de huurprijs, vermeerderd met een door de huurder en de verhuurder, voordat de ingrepen of de voorzieningen tot stand zijn gekomen, overeen te komen bedrag, dat in redelijke verhouding staat tot de door de verhuurder bestede kosten van de ingrepen onderscheidenlijk de voorzieningen, met dien verstande, dat de nieuwe huurprijs niet hoger mag zijn dan die, welke bij toepassing van de regelen, bedoeld in artikel 15, eerste lid, als redelijk is aan te merken.
2. De huurcommissie brengt desverzocht aan de huurder of aan de verhuurder of aan beiden een met redenen omkleed schriftelijk advies uit over de vraag welke de betalingsverplichting van de huurder is met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde huurprijs. De wederpartij van de verzoeker ontvangt afschrift van het advies.