BWBR0003418
Geldig vanaf 1981-07-25
Artikel 5
Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1981
1. Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het in werking brengen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b , van de wet, is verplicht aan de staat een bedrag te betalen van:
a. € 266 795, indien het betreft een inrichting voor de opwekking van elektrische of thermische energie, dan wel voor het chemisch opwerken van bestraalde splijtstoffen;
b. € 8 893, indien het een andere inrichting betreft.
2. Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b , van de wet, is verplicht, zolang de vergunning van kracht is, jaarlijks aan de staat een bedrag te betalen van:
a. € 686 386, indien het betreft een inrichting voor de opwekking van elektrische of thermische energie, dan wel voor het chemisch opwerken van bestraalde splijtstoffen;
b. € 20 592, indien het een andere inrichting betreft.
3. De verplichting, bedoeld in het tweede lid, vervalt indien de betrokken inrichting definitief buiten gebruik is gesteld.
a. € 266 795, indien het betreft een inrichting voor de opwekking van elektrische of thermische energie, dan wel voor het chemisch opwerken van bestraalde splijtstoffen;
b. € 8 893, indien het een andere inrichting betreft.
2. Hij, aan wie een vergunning wordt verleend voor het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b , van de wet, is verplicht, zolang de vergunning van kracht is, jaarlijks aan de staat een bedrag te betalen van:
a. € 686 386, indien het betreft een inrichting voor de opwekking van elektrische of thermische energie, dan wel voor het chemisch opwerken van bestraalde splijtstoffen;
b. € 20 592, indien het een andere inrichting betreft.
3. De verplichting, bedoeld in het tweede lid, vervalt indien de betrokken inrichting definitief buiten gebruik is gesteld.