BWBR0003482
Geldig vanaf 2019-09-30
Artikel 16bis
Algemeen militair ambtenarenreglement
1. De militair wordt op zijn aanvraag door Onze Minister aangewezen voor een opleiding indien de militair de beschikking heeft over een individuele opleidingsaanspraak. Over de periode van het volgen van de opleiding worden vooraf afspraken gemaakt tussen de militair, de commandant en de employabilitybegeleider.
2. De kosten verbonden aan de opleiding worden vergoed tot bij ministeriële regeling vast te stellen maximum bedragen. De kosten kunnen tot vijf jaar voor de datum van het leeftijdsontslag worden vergoed met inachtneming van de hiervoor bedoelde maximum bedragen.
3. Indien bij de eerste of tweede eerstvolgende functietoewijzing blijkt dat de gevolgde opleiding onderdeel uitmaakt van de functie-eisen, wordt het bedrag van de daarvoor vergoede opleidingskosten weer toegevoegd aan de bedragen, bedoeld in het tweede lid.
4. Wanneer de opleiding dan wel de noodzakelijke voorbereiding daarop plaatsvindt tijdens de arbeidstijd van de militair, wordt hij door Onze Minister hiervoor vrijgesteld van arbeid. Indien zwaarwegende redenen van dienstbelang dit noodzakelijk maken, kan de vrijstelling van arbeid door Onze Minister tijdelijk worden opgeheven.
5. Indien de opleiding niet kan worden afgerond voordat ontslag plaats vindt op grond van artikel 39, tweede lid onder i, kan de opleiding na het ontslag worden afgerond met vergoeding van de daarmee samenhangende opleidingskosten met inachtneming van de in het tweede lid bedoelde maximum bedragen.
6. De militair aan wie ingevolge artikel 39ontslag wordt verleend en direct daarop volgend in dienst treedt als burgerlijk ambtenaar bij het ministerie van Defensie, behoudt de op dat moment beschikbare individuele opleidingsaanspraak, bedoeld in het eerste lid. Deze resterende aanspraak wordt overgeheveld naar de individuele opleidingsaanspraak, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.
7. De aanspraak bedoeld in het zesde lid bouwt verder door tot de maximum bedragen, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, tenzij de aanspraak bij aanvang van de aanstelling als burgerlijk ambtenaar bij het ministerie van Defensie reeds meer is dan het maximum bedrag, bedoeld in artikel 20, tweede lid van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.
8. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van dit artikel.
2. De kosten verbonden aan de opleiding worden vergoed tot bij ministeriële regeling vast te stellen maximum bedragen. De kosten kunnen tot vijf jaar voor de datum van het leeftijdsontslag worden vergoed met inachtneming van de hiervoor bedoelde maximum bedragen.
3. Indien bij de eerste of tweede eerstvolgende functietoewijzing blijkt dat de gevolgde opleiding onderdeel uitmaakt van de functie-eisen, wordt het bedrag van de daarvoor vergoede opleidingskosten weer toegevoegd aan de bedragen, bedoeld in het tweede lid.
4. Wanneer de opleiding dan wel de noodzakelijke voorbereiding daarop plaatsvindt tijdens de arbeidstijd van de militair, wordt hij door Onze Minister hiervoor vrijgesteld van arbeid. Indien zwaarwegende redenen van dienstbelang dit noodzakelijk maken, kan de vrijstelling van arbeid door Onze Minister tijdelijk worden opgeheven.
5. Indien de opleiding niet kan worden afgerond voordat ontslag plaats vindt op grond van artikel 39, tweede lid onder i, kan de opleiding na het ontslag worden afgerond met vergoeding van de daarmee samenhangende opleidingskosten met inachtneming van de in het tweede lid bedoelde maximum bedragen.
6. De militair aan wie ingevolge artikel 39ontslag wordt verleend en direct daarop volgend in dienst treedt als burgerlijk ambtenaar bij het ministerie van Defensie, behoudt de op dat moment beschikbare individuele opleidingsaanspraak, bedoeld in het eerste lid. Deze resterende aanspraak wordt overgeheveld naar de individuele opleidingsaanspraak, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.
7. De aanspraak bedoeld in het zesde lid bouwt verder door tot de maximum bedragen, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, tenzij de aanspraak bij aanvang van de aanstelling als burgerlijk ambtenaar bij het ministerie van Defensie reeds meer is dan het maximum bedrag, bedoeld in artikel 20, tweede lid van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.
8. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van dit artikel.