BWBR0003630
Geldig vanaf 2016-11-17
Artikel 25
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984
1. Het vaststellen van een regeling als bedoeld in de artikelen 12, 17, negende lid, 17 b, zesde lid, 18a, zesde lid, 22a, vierde lid, en 23, elfde lid, geschiedt
a. voor wat betreft ambtenaren bij de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal, bij de Raad van State, bij de Algemene Rekenkamer, bij de Hoge Raad van Adel en bij het Bureau van de Nationale Ombudsman door Ons op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties , gehoord het bij het desbetreffende College ter zake bevoegde gezag;
b. voor wat betreft de overige ambtenaren bij gemeenschappelijk besluit van Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2. Het intrekken van een periodieke toeslag geschiedt door het gezag dat bevoegd is deze toeslag toe te kennen.
3. Van de bevoegdheid tot het vaststellen van een regeling, met een sterk technisch karakter, als bedoeld in het eerste lid, kunnen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, mandaat verlenen.
a. voor wat betreft ambtenaren bij de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal, bij de Raad van State, bij de Algemene Rekenkamer, bij de Hoge Raad van Adel en bij het Bureau van de Nationale Ombudsman door Ons op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties , gehoord het bij het desbetreffende College ter zake bevoegde gezag;
b. voor wat betreft de overige ambtenaren bij gemeenschappelijk besluit van Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2. Het intrekken van een periodieke toeslag geschiedt door het gezag dat bevoegd is deze toeslag toe te kennen.
3. Van de bevoegdheid tot het vaststellen van een regeling, met een sterk technisch karakter, als bedoeld in het eerste lid, kunnen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, mandaat verlenen.