BWBR0003642
Geldig vanaf 1986-04-15
Artikel 20
Wet voorkoming verontreiniging door schepen
1. Een ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport is bevoegd een schip aan te houden:
a. indien het schip niet is voorzien van alle, krachtens artikel 13, eerste of derde lid, vereiste geldige certificaten of documenten;
b. indien de ambtenaar constateert dat het schip niet voldoet aan de voor de verkrijging van die certificaten gestelde eisen;
c. indien het schip zodanig is gebouwd, ingericht of uitgerust dat het een gevaar vormt voor het milieu;
d. indien aan boord van het schip niet wordt voldaan aan de krachtens artikel 10, eerste lid, gestelde regels;
e. indien hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de kapitein in strijd met artikel 12b, 12c, 12d, dan wel 12e handelt dan wel zal handelen;
f. indien met betrekking tot het schip door de bevoegde autoriteiten van de betreffende staat is gemeld dat het aldaar vermoedelijk is uitgevaren, zonder dat was voldaan aan de in die staat ter uitvoering van artikel 7 van de richtlijn havenontvangstvoorzieningen gestelde regels;
g. indien het schip niet is voorzien van alle geldige certificaten of documenten die zijn vereist op grond van een bij ministeriële regeling aangewezen rechtstreeks in al zijn onderdelen verbindend besluit van een of meer van de instellingen van de Europese Unie alleen of gezamenlijk met betrekking tot de voorkoming van verontreiniging door schepen;
h. in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen en voorzover het een buitenlands schip betreft dat zich in een Nederlandse haven bevindt: wegens het niet voldoen aan krachtens de artikelen 7, vierde lid, 8b, eerste of tweede lid, onder a, of 10, derde lid, gestelde regels;
i. indien de ambtenaar wordt belemmerd in de uitoefening van zijn taak.
2. Het eerste lid, onderdelen e, f, g en i, is van overeenkomstige toepassing op een buitenlands schip, dat zich in een Nederlandse haven bevindt.
3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op schepen als bedoeld in artikel 2 van de Vaartuigenwet 1930 BES.
4. De bevoegdheid tot aanhouding bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel g, van dit artikel ontstaat voor wat betreft de vereiste geldige certificaten en documenten die verplicht zijn op grond van artikel 24 van Verordening 2023/1805pas wanneer het schip twee of meer opeenvolgende verslagperioden niet heeft voldaan aan de verplichting uit artikel 24 van Verordening 2023/1805om een conformiteitsdocument te hebben.
a. indien het schip niet is voorzien van alle, krachtens artikel 13, eerste of derde lid, vereiste geldige certificaten of documenten;
b. indien de ambtenaar constateert dat het schip niet voldoet aan de voor de verkrijging van die certificaten gestelde eisen;
c. indien het schip zodanig is gebouwd, ingericht of uitgerust dat het een gevaar vormt voor het milieu;
d. indien aan boord van het schip niet wordt voldaan aan de krachtens artikel 10, eerste lid, gestelde regels;
e. indien hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de kapitein in strijd met artikel 12b, 12c, 12d, dan wel 12e handelt dan wel zal handelen;
f. indien met betrekking tot het schip door de bevoegde autoriteiten van de betreffende staat is gemeld dat het aldaar vermoedelijk is uitgevaren, zonder dat was voldaan aan de in die staat ter uitvoering van artikel 7 van de richtlijn havenontvangstvoorzieningen gestelde regels;
g. indien het schip niet is voorzien van alle geldige certificaten of documenten die zijn vereist op grond van een bij ministeriële regeling aangewezen rechtstreeks in al zijn onderdelen verbindend besluit van een of meer van de instellingen van de Europese Unie alleen of gezamenlijk met betrekking tot de voorkoming van verontreiniging door schepen;
h. in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen en voorzover het een buitenlands schip betreft dat zich in een Nederlandse haven bevindt: wegens het niet voldoen aan krachtens de artikelen 7, vierde lid, 8b, eerste of tweede lid, onder a, of 10, derde lid, gestelde regels;
i. indien de ambtenaar wordt belemmerd in de uitoefening van zijn taak.
2. Het eerste lid, onderdelen e, f, g en i, is van overeenkomstige toepassing op een buitenlands schip, dat zich in een Nederlandse haven bevindt.
3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op schepen als bedoeld in artikel 2 van de Vaartuigenwet 1930 BES.
4. De bevoegdheid tot aanhouding bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel g, van dit artikel ontstaat voor wat betreft de vereiste geldige certificaten en documenten die verplicht zijn op grond van artikel 24 van Verordening 2023/1805pas wanneer het schip twee of meer opeenvolgende verslagperioden niet heeft voldaan aan de verplichting uit artikel 24 van Verordening 2023/1805om een conformiteitsdocument te hebben.