BWBR0003642
Geldig vanaf 1986-04-15
Artikel 37a
Wet voorkoming verontreiniging door schepen
1. Ten aanzien van handelingen door schepen als bedoeld in artikel 2 van de Vaartuigenwet 1930 BESgeldt het volgende:
a. Handelingen in strijd met de voorschriften gesteld krachtens de artikelen 5, eerste lid, en 12, eerste, zesde, zevende en achtste lid, van deze wet, voor zover opzettelijk begaan, zijn misdrijven en worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
b. Handelingen als bedoeld in onderdeel a, die geen misdrijven zijn, zijn overtredingen en worden gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
c. Handelingen in strijd met de voorschriften gesteld krachtens de artikelen 10, eerste lid, en 11, eerste lid, en de voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 11, tweede lid, van deze wet, voor zover opzettelijk begaan, zijn misdrijven en worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
d. Handelingen als bedoeld in onderdeel b, die geen misdrijven zijn, zijn overtredingen en worden gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
2. Als bijkomende straf kan worden opgelegd:
a. gehele of gedeeltelijke stillegging van de onderneming van de veroordeelde, waarin de overtreding is begaan voor een tijd van ten hoogste een jaar; of,
b. verbeurdverklaring van de voorwerpen, genoemd in artikel 35 van het Wetboek van Strafvordering BES.
3. Met het opsporen van de in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd de bij of krachtens artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BESaangewezen ambtenaren, belast de door Onze Minister van Justitie en Veiligheid, in overeenstemming met Onze Minister, aangewezen ambtenaren.
a. Handelingen in strijd met de voorschriften gesteld krachtens de artikelen 5, eerste lid, en 12, eerste, zesde, zevende en achtste lid, van deze wet, voor zover opzettelijk begaan, zijn misdrijven en worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
b. Handelingen als bedoeld in onderdeel a, die geen misdrijven zijn, zijn overtredingen en worden gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
c. Handelingen in strijd met de voorschriften gesteld krachtens de artikelen 10, eerste lid, en 11, eerste lid, en de voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 11, tweede lid, van deze wet, voor zover opzettelijk begaan, zijn misdrijven en worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
d. Handelingen als bedoeld in onderdeel b, die geen misdrijven zijn, zijn overtredingen en worden gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
2. Als bijkomende straf kan worden opgelegd:
a. gehele of gedeeltelijke stillegging van de onderneming van de veroordeelde, waarin de overtreding is begaan voor een tijd van ten hoogste een jaar; of,
b. verbeurdverklaring van de voorwerpen, genoemd in artikel 35 van het Wetboek van Strafvordering BES.
3. Met het opsporen van de in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd de bij of krachtens artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BESaangewezen ambtenaren, belast de door Onze Minister van Justitie en Veiligheid, in overeenstemming met Onze Minister, aangewezen ambtenaren.