Artikel 1
1. In deze wet wordt onder stads- en dorpsvernieuwing verstaan de stelselmatige inspanning zowel op stedebouwkundig als op sociaal, economisch, cultureel en milieuhygiënisch gebied, gericht op behoud, herstel, verbetering, herindeling of sanering van bebouwde gedeelten van het gemeentelijk grondgebied.
2. Waar hierna in deze wet wordt gesproken van stadsvernieuwing, al dan niet in verbinding met andere zelfstandige naamwoorden, wordt voor zover van toepassing dorpsvernieuwing daaronder mede begrepen.
3. Voorts wordt in deze wet verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
b. gebouw, bouwen, bouwvergunning, verbeteren en slopen: hetgeen daaronder in de Woningwet wordt verstaan.
2. Waar hierna in deze wet wordt gesproken van stadsvernieuwing, al dan niet in verbinding met andere zelfstandige naamwoorden, wordt voor zover van toepassing dorpsvernieuwing daaronder mede begrepen.
3. Voorts wordt in deze wet verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
b. gebouw, bouwen, bouwvergunning, verbeteren en slopen: hetgeen daaronder in de Woningwet wordt verstaan.